1. De benoeming van een deskundig lid of plaatsvervanger als bedoeld in
artikel 66, vierde lid, of
67, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XXXIVais benoemd en vóór dat tijdstip de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, blijft van kracht tot:
a. de eerste dag van de maand volgende op die waarin het deskundig lid of de plaatsvervanger de leeftijd van drieënzeventig jaren heeft bereikt, of
b. het in het benoemingsbesluit genoemde tijdstip, indien dat tijdstip ligt vóór het in onderdeel a bedoelde tijdstip.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, vindt het ontslag plaats bij koninklijk besluit.