BWBR0050979
Geldig vanaf 2025-04-29
Artikel 9
Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte ter bestrijding van onbemande mobiele objecten
1. Een geplande inzet van afwijkend gebruik van de frequentieruimte wordt door de verantwoordelijke voorafgaand gemeld aan de minister, vergezeld van de gemaakte impactanalyse.
2. De melding omvat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam, dan wel persoonlijk herleidbare code, met eenheid, van de ambtenaar, bedoeld in artikel 6;
b. de periode waarbinnen een afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden;
c. in welke vorm en op welke wijze afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden;
d. de frequentieband of -banden;
e. het effectieve zendvermogen;
f. de signaalvorm of signaalvormen;
g. de gebruikte bandbreedte per frequentieband;
h. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de geografische locaties waar de apparatuur kan worden ingezet; en
i. het merk en type van het apparaat, met registernummer.
3. Indien het radiointerventiemiddel na de melding in gebruik is geweest, registreert de eenheid de volgende gegevens:
a. vermelding van de opdrachtgever;
b. de gegevens die het radiointerventiemiddel of het externe meetapparaat, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel h, heeft geregistreerd; en
c. de ambtenaar die het radiointerventiemiddel heeft bediend, dan wel geconfigureerd, de exacte plaats en tijd van gebruik, gebruikte frequentiebanden, toegepast vermogen, azimut en elevatie van de stoorbundel, antennehoogte, en kalibratiedatum.
4. Deze administratie wordt in ieder geval bewaard tot een jaar na de datum van inzet.
5. Indien het gebruik niet overeenstemde met de melding, bedoeld in het tweede lid, meldt de verantwoordelijke aan de minister welke afwijkingen hebben plaatsgevonden.
2. De melding omvat ten minste de volgende gegevens:
a. de naam, dan wel persoonlijk herleidbare code, met eenheid, van de ambtenaar, bedoeld in artikel 6;
b. de periode waarbinnen een afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden;
c. in welke vorm en op welke wijze afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden;
d. de frequentieband of -banden;
e. het effectieve zendvermogen;
f. de signaalvorm of signaalvormen;
g. de gebruikte bandbreedte per frequentieband;
h. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de geografische locaties waar de apparatuur kan worden ingezet; en
i. het merk en type van het apparaat, met registernummer.
3. Indien het radiointerventiemiddel na de melding in gebruik is geweest, registreert de eenheid de volgende gegevens:
a. vermelding van de opdrachtgever;
b. de gegevens die het radiointerventiemiddel of het externe meetapparaat, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel h, heeft geregistreerd; en
c. de ambtenaar die het radiointerventiemiddel heeft bediend, dan wel geconfigureerd, de exacte plaats en tijd van gebruik, gebruikte frequentiebanden, toegepast vermogen, azimut en elevatie van de stoorbundel, antennehoogte, en kalibratiedatum.
4. Deze administratie wordt in ieder geval bewaard tot een jaar na de datum van inzet.
5. Indien het gebruik niet overeenstemde met de melding, bedoeld in het tweede lid, meldt de verantwoordelijke aan de minister welke afwijkingen hebben plaatsgevonden.