BWBR0050934
Geldig vanaf 2025-04-11
Artikel 2
Instellingsbesluit Adviescommissie richtlijn passend bewijs preventie
1. Er is een Adviescommissie richtlijn passend bewijs preventie.
2. De commissie heeft tot taak een richtlijn te ontwikkelen waarmee het passend niveau van bewijs kan worden vastgesteld waarmee het gezondheidseffect van een preventiemaatregel kan worden bepaald.
3. De commissie voert haar taak uit met inachtneming van het volgende:
a. de commissie brengt de voor het passend bewijs relevante aspecten van de preventiemaatregel en de context waarin deze wordt genomen in kaart en onderscheidt op basis daarvan categorieën die worden voorzien van voorbeelden met bijbehorende bewijsmethode(n);
b. de richtlijn wordt zo geformuleerd dat deze van toepassing kan zijn op al het preventiebeleid, zowel binnen als buiten de gezondheidszorg, dat zich primair of secundair richt op het behouden van een goede gezondheid of het voorkomen van het ontstaan of verergeren van gezondheidsproblemen;
c. de richtlijn besteedt aandacht aan relevante aspecten voor het passende bewijsniveau, waaronder: 1° de mogelijkheid om te randomiseren;
2° het optreden van langetermijneffecten;
3° de beschikbaarheid van betrouwbare intermediaire uitkomstmaten;
4° of een vergelijkbare maatregel al eens in een andere context is ingevoerd;
5° een nadere duiding van wanneer verschillende observationele methoden passend zijn;
6° wanneer bewijs dat gebaseerd is op (simulatie)modellen van voldoende kwaliteit is; en
7° de meervoudigheid of complexiteit van de maatregel;
1° de mogelijkheid om te randomiseren;
2° het optreden van langetermijneffecten;
3° de beschikbaarheid van betrouwbare intermediaire uitkomstmaten;
4° of een vergelijkbare maatregel al eens in een andere context is ingevoerd;
5° een nadere duiding van wanneer verschillende observationele methoden passend zijn;
6° wanneer bewijs dat gebaseerd is op (simulatie)modellen van voldoende kwaliteit is; en
7° de meervoudigheid of complexiteit van de maatregel;
d. de richtlijn bevat categorieën waarbij verschillende niveaus van bewijsvoering worden onderscheiden;
e. de effectbepaling wordt geïllustreerd door het gebruik van goede en tekortschietende voorbeelden;
f. de richtlijn maakt onderscheid naar directe en indirecte effecten van maatregelen;
g. de richtlijn geeft duidelijkheid over de wijze van rapportage van het gedane onderzoek, waaronder in ieder geval de onzekerheid rondom de effectbepaling.
4. Naar aanleiding van haar bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen.
2. De commissie heeft tot taak een richtlijn te ontwikkelen waarmee het passend niveau van bewijs kan worden vastgesteld waarmee het gezondheidseffect van een preventiemaatregel kan worden bepaald.
3. De commissie voert haar taak uit met inachtneming van het volgende:
a. de commissie brengt de voor het passend bewijs relevante aspecten van de preventiemaatregel en de context waarin deze wordt genomen in kaart en onderscheidt op basis daarvan categorieën die worden voorzien van voorbeelden met bijbehorende bewijsmethode(n);
b. de richtlijn wordt zo geformuleerd dat deze van toepassing kan zijn op al het preventiebeleid, zowel binnen als buiten de gezondheidszorg, dat zich primair of secundair richt op het behouden van een goede gezondheid of het voorkomen van het ontstaan of verergeren van gezondheidsproblemen;
c. de richtlijn besteedt aandacht aan relevante aspecten voor het passende bewijsniveau, waaronder: 1° de mogelijkheid om te randomiseren;
2° het optreden van langetermijneffecten;
3° de beschikbaarheid van betrouwbare intermediaire uitkomstmaten;
4° of een vergelijkbare maatregel al eens in een andere context is ingevoerd;
5° een nadere duiding van wanneer verschillende observationele methoden passend zijn;
6° wanneer bewijs dat gebaseerd is op (simulatie)modellen van voldoende kwaliteit is; en
7° de meervoudigheid of complexiteit van de maatregel;
1° de mogelijkheid om te randomiseren;
2° het optreden van langetermijneffecten;
3° de beschikbaarheid van betrouwbare intermediaire uitkomstmaten;
4° of een vergelijkbare maatregel al eens in een andere context is ingevoerd;
5° een nadere duiding van wanneer verschillende observationele methoden passend zijn;
6° wanneer bewijs dat gebaseerd is op (simulatie)modellen van voldoende kwaliteit is; en
7° de meervoudigheid of complexiteit van de maatregel;
d. de richtlijn bevat categorieën waarbij verschillende niveaus van bewijsvoering worden onderscheiden;
e. de effectbepaling wordt geïllustreerd door het gebruik van goede en tekortschietende voorbeelden;
f. de richtlijn maakt onderscheid naar directe en indirecte effecten van maatregelen;
g. de richtlijn geeft duidelijkheid over de wijze van rapportage van het gedane onderzoek, waaronder in ieder geval de onzekerheid rondom de effectbepaling.
4. Naar aanleiding van haar bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen.