BWBR0050716
Geldig vanaf 2025-01-30
Artikel 4
Boetebeleid RDI
4.1. In het kader van dit boeteregime hanteert de RDI een stappenplan zoals bedoeld in artikel 4.2 voor het vaststellen van een boete wegens een overtreding van een voorschrift dat is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 3.
4.2. Voor de vaststelling van de boetehoogte van overtredingen die zijn ingedeeld in de in artikel 3vermelde categorieën, worden de volgende stappen doorlopen:
[tabel]
4.3. Voor het bepalen van de boetehoogte vanwege een overtreding van een bepaling die is ingedeeld in categorie I, wordt stap 5 van het stappenplan niet toegepast.
4.4. Bij toepassing van dit stappenplan neemt de RDI de bij wet vastgestelde boetemaxima in acht.
Stap 1: basisbedrag
De RDI stelt het toepasselijke basisbedrag vast op basis van artikel 3, gelezen in samenhang met bijlage 2.
Stap 2: recidive
Indien sprake is van recidive, verdubbelt de RDI in beginsel het op basis van stap 1 vastgestelde basisbedrag. Daarbij neemt de RDI de wettelijke boetemaxima die voor recidive gelden, in acht.
Stap 3: ernst en/of duur
a. In het basisbedrag ligt een gemiddelde ernst en duur van de overtreding besloten. De RDI verlaagt of verhoogt het basisbedrag met maximaal 50%, indien de ernst en/of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. De RDI past deze verlaging of verhoging toe in stappen van in beginsel 25%.
b. Bij de toepassing van deze stap houdt de RDI, voor zover van toepassing en van belang, onder meer rekening met de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien: • de omvang van de overtreding;
• de duur van de overtreding;
• het aantal malen dat de overtreding eerder is begaan en de duur van deze eerdere overtredingen;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot benadeling van en/of schade voor derden dan wel de mate waarin de overtreding risico’s teweeg heeft gebracht voor de veiligheid van de mens en/of het milieu;
• de mate van maatschappelijke impact van de overtreding;
• de mogelijke impact van de overtreding op de markt en afnemers;
• de omvang van het met de overtreding behaalde voordeel;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot marktverstoring;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot verstoring van het spectrum.
• de omvang van de overtreding;
• de duur van de overtreding;
• het aantal malen dat de overtreding eerder is begaan en de duur van deze eerdere overtredingen;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot benadeling van en/of schade voor derden dan wel de mate waarin de overtreding risico’s teweeg heeft gebracht voor de veiligheid van de mens en/of het milieu;
• de mate van maatschappelijke impact van de overtreding;
• de mogelijke impact van de overtreding op de markt en afnemers;
• de omvang van het met de overtreding behaalde voordeel;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot marktverstoring;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot verstoring van het spectrum.
Stap 4: verwijtbaarheid
a. In het basisbedrag ligt een gemiddelde mate van verwijtbaarheid van de overtreder besloten. De RDI verlaagt of verhoogt het basisbedrag met maximaal 50%, indien de verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. De RDI past deze verlaging of verhoging toe in stappen van in beginsel 25%.
b. Voor zover van toepassing en van belang, houdt de RDI bij de toepassing van deze stap onder meer rekening met de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien: • de overtreder is eerder gewaarschuwd of anderszins gewezen op (het belang van) naleving van de (wettelijke) eis en/of op bestuurlijke sancties die eerder jegens anderen zijn opgelegd wegens overtreding van de (wettelijke) vereisten en die openbaar zijn gemaakt;
• eerder door de overtreder begane overtredingen van dezelfde wettelijke eis en/of overtredingen van wettelijke eisen van vergelijkbare strekking;
• de mate waarin de overtreding voortvloeit uit of inherent is aan een vaste werkwijze of het bedrijfsmodel van de overtreder en/of de mate waarin de (bedrijfs)cultuur heeft bijgedragen aan de overtreding;
• de mate waarin de overtreding willens en wetens is begaan, dan wel de mate waarin de overtreder bewust het risico heeft genomen de overtreding te begaan, dan wel de mate waarin de overtreder (on)welwillend is om tot normconform gedrag te komen;
• de belemmering van een toezichthouder in de uitoefening van zijn taak;
• de professionaliteit van de overtreder ten aanzien van de geschonden wettelijke vereisten;
• de mate waarin de overtreder uit geldelijk gewin heeft gehandeld en andere door hem te respecteren belangen daaraan ondergeschikt heeft gemaakt;
• de mate waarin de overtreder inspanningen heeft verricht om de overtreding te voorkomen en/of de aangerichte schade te beperken.
• de overtreder is eerder gewaarschuwd of anderszins gewezen op (het belang van) naleving van de (wettelijke) eis en/of op bestuurlijke sancties die eerder jegens anderen zijn opgelegd wegens overtreding van de (wettelijke) vereisten en die openbaar zijn gemaakt;
• eerder door de overtreder begane overtredingen van dezelfde wettelijke eis en/of overtredingen van wettelijke eisen van vergelijkbare strekking;
• de mate waarin de overtreding voortvloeit uit of inherent is aan een vaste werkwijze of het bedrijfsmodel van de overtreder en/of de mate waarin de (bedrijfs)cultuur heeft bijgedragen aan de overtreding;
• de mate waarin de overtreding willens en wetens is begaan, dan wel de mate waarin de overtreder bewust het risico heeft genomen de overtreding te begaan, dan wel de mate waarin de overtreder (on)welwillend is om tot normconform gedrag te komen;
• de belemmering van een toezichthouder in de uitoefening van zijn taak;
• de professionaliteit van de overtreder ten aanzien van de geschonden wettelijke vereisten;
• de mate waarin de overtreder uit geldelijk gewin heeft gehandeld en andere door hem te respecteren belangen daaraan ondergeschikt heeft gemaakt;
• de mate waarin de overtreder inspanningen heeft verricht om de overtreding te voorkomen en/of de aangerichte schade te beperken.
Stap 5: omvang van de overtreder
a. Bij de toepassing van deze stap neemt de RDI de omvang van de overtreder in acht. Daarbij wordt op het na de stappen 1 tot en met 4 berekende boetebedrag het volgende boetepercentage toegepast:
b. Indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon, wordt op het na stappen 1 tot en met 4 berekende boetebedrag een boetepercentage van 5% toegepast.
c. Indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een rechtspersoon waarvan 50% of meer van de aandelen worden gehouden door (een) moederonderneming(en), kan de RDI bij de berekening van de omvang de wereldwijde netto-omzet hanteren uit de jaarrekening van desbetreffende moederonderneming(en).
d. Als de voor de toepassing van de omvangtabel benodigde financiële gegevens niet beschikbaar zijn – doordat de RDI niet over die gegevens beschikt en de overtreder die gegevens op verzoek van de RDI ook niet heeft verstrekt – maakt de RDI een reële inschatting van de omvang van de overtreder. Is een reële inschatting evenmin mogelijk, dan wordt het boetepercentage op grond van de omvangtabel vastgesteld op 100%.
e. Indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een gemeente of provincie wordt op het na de stappen 1 tot en met 4 berekende boetebedrag het volgende boetepercentage toegepast:
f. Voor organen van de centrale overheid zal in beginsel een boetepercentage van 100% worden gehanteerd. Voor waterschappen zal in beginsel een boetepercentage van 50% worden gehanteerd.
Stap 6: passendheidstoets
De RDI kan het op basis van de stappen 1 tot en met 5 berekende boetebedrag verlagen op grond van onderstaande bijzondere omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien. De RDI past deze toe in stappen van in beginsel 10% per te betrekken omstandigheid, met een maximum van in beginsel in totaal 20%.
Opstelling overtreder
De RDI kan rekening houden met de opstelling van de overtreder met betrekking tot de medewerking aan het onderzoek. De RDI kan daarbij onder meer de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, betrekken, waarbij voor de RDI van belang is dat het gaat om verregaande vormen van medewerking in de periode tot vaststellen van het Rapport van Bevindingen:
• De overtreder heeft de overtreding aan de RDI gemeld, voordat de RDI gestart was met een onderzoek en zonder dat hij daartoe op grond van de wet gehouden was;
• De overtreder heeft voordat hij bekend was met het onderzoek van de RDI maatregelen getroffen ter beëindiging van de overtreding;
• De overtreder heeft volledig, onafhankelijk en adequaat onderzoek verricht of laten verrichten naar de overtreding en heeft de uitkomsten daarvan vrijwillig met de RDI gedeeld;
• De overtreder heeft uit eigen beweging adequate maatregelen getroffen ter voorkoming van herhaling van de overtreding;
• De overtreder heeft uit eigen beweging en zo spoedig mogelijk nadat hij van de overtreding kennis nam, de gevolgen van de overtreding ongedaan gemaakt.
Andere bijzondere omstandigheden
Daarnaast kunnen er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die op basis van het voorgaande niet bij het bepalen van de boetehoogte van een overtreding zijn betrokken, maar die in het kader van de evenredigheid van de boetehoogte wel relevant (kunnen) zijn. Deze omstandigheden worden per geval bezien.
Cumulatie van boetes
a. Indien sprake is van te onderscheiden, maar wel met elkaar samenhangende overtredingen waarvoor twee of meer afzonderlijke boetes worden opgelegd, beoordeelt de RDI of het totaal aan boetes dat voor de samenhangende overtredingen kan worden opgelegd, passend is.
b. De RDI berekent aan de hand van het voorgaande het boetebedrag per afzonderlijke overtreding. De berekende boetebedragen worden vervolgens in totaliteit bezien. Indien geoordeeld wordt dat het totaalbedrag aan berekende boetes, gelet op het geheel aan samenhangende gedragingen, niet-passend is, laat de RDI de boetehoogte van de hoogst berekende boete in stand en matigt zij de andere boete(s) zodanig dat het totaal aan boetes gelet op de samenhangende overtredingen, passend is.
c. Indien een enig of grootaandeelhouder als opdrachtgever of feitelijke leidinggever wordt beboet naast de onderneming zelf, kan de opdrachtgever of feitelijke leidinggever door het totaal aan boetes mogelijk onevenredig in zijn vermogen worden geraakt. In dat geval zal de hoogte van de aan de opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever of aan de onderneming opgelegde boete in beginsel met een derde worden verlaagd. In bijzondere omstandigheden kan de RDI een andere verdeling toepassen.
Stap 7: voordeel als ondergrens
Indien de RDI het voordeel dat met de overtreding is verkregen heeft kunnen vaststellen of een reële inschatting daarvan heeft kunnen maken, en het na stap 6 berekende boetebedrag lager is dan dit verkregen voordeel, kan de RDI het boetebedrag tot ten minste het bedrag van het verkregen voordeel ophogen.
Stap 8: draagkracht
a. De RDI houdt zo nodig rekening met de financiële omstandigheden waarin de overtreder verkeert. Het is aan de overtreder om inzicht te geven in zijn draagkracht, aan de hand van een door de RDI bij het boetevoornemen gevoegd draagkrachtformulier. Indien aannemelijk is dat het op grond van de stappen 1 tot en met 7 berekende boetebedrag de draagkracht van de overtreder overstijgt, gaat de RDI in beginsel tot matiging over. Bij de beoordeling of aanleiding bestaat tot matiging, kan de RDI rekening houden met de omstandigheden waaronder de verminderde of onvoldoende draagkracht is ontstaan alsmede met op korte termijn te verwachten positieve financiële resultaten van de overtreder.
b. Uitgangspunt voor de omvang van de matiging is dat de RDI de boete niet verder matigt dan tot een bedrag dat de overtreder redelijkerwijs geacht moet worden te kunnen voldoen, zo nodig met het aangaan van een betalingsregeling bij het CJIB. Verder matigt de RDI de boete in beginsel niet (verder) tot een lager bedrag dan het bedrag van het voordeel dat de overtreder met de overtreding heeft verkregen.
c. Indien en voor zover de bestuurlijke boete voor een overtreding van een bepaling die is ingedeeld in categorieën II tot en met VII na toepassing van de stappen 1 tot en met 7 van dit Boetebeleid RDI op een bedrag is vastgesteld lager dan € 5.000 voor rechtspersonen en € 2.500 voor natuurlijke personen, wordt dat bedrag in deze stap in beginsel niet verder verlaagd.
4.2. Voor de vaststelling van de boetehoogte van overtredingen die zijn ingedeeld in de in artikel 3vermelde categorieën, worden de volgende stappen doorlopen:
[tabel]
4.3. Voor het bepalen van de boetehoogte vanwege een overtreding van een bepaling die is ingedeeld in categorie I, wordt stap 5 van het stappenplan niet toegepast.
4.4. Bij toepassing van dit stappenplan neemt de RDI de bij wet vastgestelde boetemaxima in acht.
Stap 1: basisbedrag
De RDI stelt het toepasselijke basisbedrag vast op basis van artikel 3, gelezen in samenhang met bijlage 2.
Stap 2: recidive
Indien sprake is van recidive, verdubbelt de RDI in beginsel het op basis van stap 1 vastgestelde basisbedrag. Daarbij neemt de RDI de wettelijke boetemaxima die voor recidive gelden, in acht.
Stap 3: ernst en/of duur
a. In het basisbedrag ligt een gemiddelde ernst en duur van de overtreding besloten. De RDI verlaagt of verhoogt het basisbedrag met maximaal 50%, indien de ernst en/of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. De RDI past deze verlaging of verhoging toe in stappen van in beginsel 25%.
b. Bij de toepassing van deze stap houdt de RDI, voor zover van toepassing en van belang, onder meer rekening met de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien: • de omvang van de overtreding;
• de duur van de overtreding;
• het aantal malen dat de overtreding eerder is begaan en de duur van deze eerdere overtredingen;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot benadeling van en/of schade voor derden dan wel de mate waarin de overtreding risico’s teweeg heeft gebracht voor de veiligheid van de mens en/of het milieu;
• de mate van maatschappelijke impact van de overtreding;
• de mogelijke impact van de overtreding op de markt en afnemers;
• de omvang van het met de overtreding behaalde voordeel;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot marktverstoring;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot verstoring van het spectrum.
• de omvang van de overtreding;
• de duur van de overtreding;
• het aantal malen dat de overtreding eerder is begaan en de duur van deze eerdere overtredingen;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot benadeling van en/of schade voor derden dan wel de mate waarin de overtreding risico’s teweeg heeft gebracht voor de veiligheid van de mens en/of het milieu;
• de mate van maatschappelijke impact van de overtreding;
• de mogelijke impact van de overtreding op de markt en afnemers;
• de omvang van het met de overtreding behaalde voordeel;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot marktverstoring;
• de mate waarin de overtreding heeft geleid tot verstoring van het spectrum.
Stap 4: verwijtbaarheid
a. In het basisbedrag ligt een gemiddelde mate van verwijtbaarheid van de overtreder besloten. De RDI verlaagt of verhoogt het basisbedrag met maximaal 50%, indien de verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. De RDI past deze verlaging of verhoging toe in stappen van in beginsel 25%.
b. Voor zover van toepassing en van belang, houdt de RDI bij de toepassing van deze stap onder meer rekening met de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien: • de overtreder is eerder gewaarschuwd of anderszins gewezen op (het belang van) naleving van de (wettelijke) eis en/of op bestuurlijke sancties die eerder jegens anderen zijn opgelegd wegens overtreding van de (wettelijke) vereisten en die openbaar zijn gemaakt;
• eerder door de overtreder begane overtredingen van dezelfde wettelijke eis en/of overtredingen van wettelijke eisen van vergelijkbare strekking;
• de mate waarin de overtreding voortvloeit uit of inherent is aan een vaste werkwijze of het bedrijfsmodel van de overtreder en/of de mate waarin de (bedrijfs)cultuur heeft bijgedragen aan de overtreding;
• de mate waarin de overtreding willens en wetens is begaan, dan wel de mate waarin de overtreder bewust het risico heeft genomen de overtreding te begaan, dan wel de mate waarin de overtreder (on)welwillend is om tot normconform gedrag te komen;
• de belemmering van een toezichthouder in de uitoefening van zijn taak;
• de professionaliteit van de overtreder ten aanzien van de geschonden wettelijke vereisten;
• de mate waarin de overtreder uit geldelijk gewin heeft gehandeld en andere door hem te respecteren belangen daaraan ondergeschikt heeft gemaakt;
• de mate waarin de overtreder inspanningen heeft verricht om de overtreding te voorkomen en/of de aangerichte schade te beperken.
• de overtreder is eerder gewaarschuwd of anderszins gewezen op (het belang van) naleving van de (wettelijke) eis en/of op bestuurlijke sancties die eerder jegens anderen zijn opgelegd wegens overtreding van de (wettelijke) vereisten en die openbaar zijn gemaakt;
• eerder door de overtreder begane overtredingen van dezelfde wettelijke eis en/of overtredingen van wettelijke eisen van vergelijkbare strekking;
• de mate waarin de overtreding voortvloeit uit of inherent is aan een vaste werkwijze of het bedrijfsmodel van de overtreder en/of de mate waarin de (bedrijfs)cultuur heeft bijgedragen aan de overtreding;
• de mate waarin de overtreding willens en wetens is begaan, dan wel de mate waarin de overtreder bewust het risico heeft genomen de overtreding te begaan, dan wel de mate waarin de overtreder (on)welwillend is om tot normconform gedrag te komen;
• de belemmering van een toezichthouder in de uitoefening van zijn taak;
• de professionaliteit van de overtreder ten aanzien van de geschonden wettelijke vereisten;
• de mate waarin de overtreder uit geldelijk gewin heeft gehandeld en andere door hem te respecteren belangen daaraan ondergeschikt heeft gemaakt;
• de mate waarin de overtreder inspanningen heeft verricht om de overtreding te voorkomen en/of de aangerichte schade te beperken.
Stap 5: omvang van de overtreder
a. Bij de toepassing van deze stap neemt de RDI de omvang van de overtreder in acht. Daarbij wordt op het na de stappen 1 tot en met 4 berekende boetebedrag het volgende boetepercentage toegepast:
b. Indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon, wordt op het na stappen 1 tot en met 4 berekende boetebedrag een boetepercentage van 5% toegepast.
c. Indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een rechtspersoon waarvan 50% of meer van de aandelen worden gehouden door (een) moederonderneming(en), kan de RDI bij de berekening van de omvang de wereldwijde netto-omzet hanteren uit de jaarrekening van desbetreffende moederonderneming(en).
d. Als de voor de toepassing van de omvangtabel benodigde financiële gegevens niet beschikbaar zijn – doordat de RDI niet over die gegevens beschikt en de overtreder die gegevens op verzoek van de RDI ook niet heeft verstrekt – maakt de RDI een reële inschatting van de omvang van de overtreder. Is een reële inschatting evenmin mogelijk, dan wordt het boetepercentage op grond van de omvangtabel vastgesteld op 100%.
e. Indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een gemeente of provincie wordt op het na de stappen 1 tot en met 4 berekende boetebedrag het volgende boetepercentage toegepast:
f. Voor organen van de centrale overheid zal in beginsel een boetepercentage van 100% worden gehanteerd. Voor waterschappen zal in beginsel een boetepercentage van 50% worden gehanteerd.
Stap 6: passendheidstoets
De RDI kan het op basis van de stappen 1 tot en met 5 berekende boetebedrag verlagen op grond van onderstaande bijzondere omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien. De RDI past deze toe in stappen van in beginsel 10% per te betrekken omstandigheid, met een maximum van in beginsel in totaal 20%.
Opstelling overtreder
De RDI kan rekening houden met de opstelling van de overtreder met betrekking tot de medewerking aan het onderzoek. De RDI kan daarbij onder meer de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, betrekken, waarbij voor de RDI van belang is dat het gaat om verregaande vormen van medewerking in de periode tot vaststellen van het Rapport van Bevindingen:
• De overtreder heeft de overtreding aan de RDI gemeld, voordat de RDI gestart was met een onderzoek en zonder dat hij daartoe op grond van de wet gehouden was;
• De overtreder heeft voordat hij bekend was met het onderzoek van de RDI maatregelen getroffen ter beëindiging van de overtreding;
• De overtreder heeft volledig, onafhankelijk en adequaat onderzoek verricht of laten verrichten naar de overtreding en heeft de uitkomsten daarvan vrijwillig met de RDI gedeeld;
• De overtreder heeft uit eigen beweging adequate maatregelen getroffen ter voorkoming van herhaling van de overtreding;
• De overtreder heeft uit eigen beweging en zo spoedig mogelijk nadat hij van de overtreding kennis nam, de gevolgen van de overtreding ongedaan gemaakt.
Andere bijzondere omstandigheden
Daarnaast kunnen er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die op basis van het voorgaande niet bij het bepalen van de boetehoogte van een overtreding zijn betrokken, maar die in het kader van de evenredigheid van de boetehoogte wel relevant (kunnen) zijn. Deze omstandigheden worden per geval bezien.
Cumulatie van boetes
a. Indien sprake is van te onderscheiden, maar wel met elkaar samenhangende overtredingen waarvoor twee of meer afzonderlijke boetes worden opgelegd, beoordeelt de RDI of het totaal aan boetes dat voor de samenhangende overtredingen kan worden opgelegd, passend is.
b. De RDI berekent aan de hand van het voorgaande het boetebedrag per afzonderlijke overtreding. De berekende boetebedragen worden vervolgens in totaliteit bezien. Indien geoordeeld wordt dat het totaalbedrag aan berekende boetes, gelet op het geheel aan samenhangende gedragingen, niet-passend is, laat de RDI de boetehoogte van de hoogst berekende boete in stand en matigt zij de andere boete(s) zodanig dat het totaal aan boetes gelet op de samenhangende overtredingen, passend is.
c. Indien een enig of grootaandeelhouder als opdrachtgever of feitelijke leidinggever wordt beboet naast de onderneming zelf, kan de opdrachtgever of feitelijke leidinggever door het totaal aan boetes mogelijk onevenredig in zijn vermogen worden geraakt. In dat geval zal de hoogte van de aan de opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever of aan de onderneming opgelegde boete in beginsel met een derde worden verlaagd. In bijzondere omstandigheden kan de RDI een andere verdeling toepassen.
Stap 7: voordeel als ondergrens
Indien de RDI het voordeel dat met de overtreding is verkregen heeft kunnen vaststellen of een reële inschatting daarvan heeft kunnen maken, en het na stap 6 berekende boetebedrag lager is dan dit verkregen voordeel, kan de RDI het boetebedrag tot ten minste het bedrag van het verkregen voordeel ophogen.
Stap 8: draagkracht
a. De RDI houdt zo nodig rekening met de financiële omstandigheden waarin de overtreder verkeert. Het is aan de overtreder om inzicht te geven in zijn draagkracht, aan de hand van een door de RDI bij het boetevoornemen gevoegd draagkrachtformulier. Indien aannemelijk is dat het op grond van de stappen 1 tot en met 7 berekende boetebedrag de draagkracht van de overtreder overstijgt, gaat de RDI in beginsel tot matiging over. Bij de beoordeling of aanleiding bestaat tot matiging, kan de RDI rekening houden met de omstandigheden waaronder de verminderde of onvoldoende draagkracht is ontstaan alsmede met op korte termijn te verwachten positieve financiële resultaten van de overtreder.
b. Uitgangspunt voor de omvang van de matiging is dat de RDI de boete niet verder matigt dan tot een bedrag dat de overtreder redelijkerwijs geacht moet worden te kunnen voldoen, zo nodig met het aangaan van een betalingsregeling bij het CJIB. Verder matigt de RDI de boete in beginsel niet (verder) tot een lager bedrag dan het bedrag van het voordeel dat de overtreder met de overtreding heeft verkregen.
c. Indien en voor zover de bestuurlijke boete voor een overtreding van een bepaling die is ingedeeld in categorieën II tot en met VII na toepassing van de stappen 1 tot en met 7 van dit Boetebeleid RDI op een bedrag is vastgesteld lager dan € 5.000 voor rechtspersonen en € 2.500 voor natuurlijke personen, wordt dat bedrag in deze stap in beginsel niet verder verlaagd.