1. Een aanvraag voor aanvullende middelen als bedoeld in artikel 3, wordt ingediend namens een bevoegd gezag dat is gevestigd in een arbeidsmarktregio.
2. De aanvraag bevat een activiteitenplan en een begroting. De
artikelen 3.4en
3.5 van de Kaderregelingzijn van overeenkomstige toepassing.
3. In aanvulling op
artikel 3.4 van de Kaderregelingbevat het activiteitenplan:
a. een regiovisie voor de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 die bestaat uit een analyse van de studentendaling en de gevolgen daarvan voor het gehele beroepsonderwijs in de betreffende arbeidsmarktregio, waarbij wordt ingegaan op maatregelen die het bevoegd gezag al heeft genomen, gericht op een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de arbeidsmarktregio;
b. een beschrijving van de activiteiten die zijn gericht op een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de arbeidsmarktregio, waarbij wordt ingegaan op: 1°. activiteiten gericht op de transitie van het aanbod aan beroepsopleidingen en onderwijsvoorzieningen;
2°. activiteiten gericht op het in stand houden van opleidingen en onderwijsvoorzieningen; en
3°. activiteiten gericht op fusie als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
1°. activiteiten gericht op de transitie van het aanbod aan beroepsopleidingen en onderwijsvoorzieningen;
2°. activiteiten gericht op het in stand houden van opleidingen en onderwijsvoorzieningen; en
3°. activiteiten gericht op fusie als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
c. een reflectie op de input van de commissie ten aanzien van de kwaliteit van het activiteitenplan met het oog op een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de arbeidsmarktregio, gelet op de zorgplichten arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid, als bedoeld in artikel 6.1.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
4. Het activiteitenplan en de begroting worden gezamenlijk opgesteld met alle bevoegde gezagen die in dezelfde arbeidsmarktregio gevestigd zijn en aanspraak wensen te maken op aanvullende middelen op grond van deze regeling, waarbij in de begroting duidelijk wordt gemaakt hoe de beschikbare middelen over de verschillende betrokken bevoegde gezagen wordt verdeeld.
5. Het bevoegd gezag voert gezamenlijk met alle bevoegde gezagen die in dezelfde arbeidsmarktregio gevestigd zijn en aanspraak wensen te maken op aanvullende middelen op grond van deze regeling, een startgesprek met de commissie waarin de commissie reflecteert op het activiteitenplan, bedoeld in het derde lid.
6. Uit de aanvraag blijkt op welke wijze de belangrijkste partners van het bevoegd gezag in de arbeidsmarktregio zijn betrokken bij de totstandkoming van het activiteitenplan en bij de uitvoering van het activiteitenplan. Daaronder worden in elk geval begrepen:
a. de scholen voor voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;
b. de instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. de centrumgemeente van de betreffende arbeidsmarktregio; en
d. het regionale bedrijfsleven.
7. De aanvraag kan worden ingediend van 1 februari 2025 tot en met 1 april 2025.
8. Aanvragen die worden ingediend buiten de aanvraagperiode, bedoeld in het zevende lid of artikel 6, derde lid, worden afgewezen.
9. Aan een bevoegd gezag dat is gevestigd in een arbeidsmarktregio kan op grond van deze regeling maximaal één aanvraag worden toegekend.
10. Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op de website www.duo.nl.