BWBR0050532
Geldig vanaf 01-01-2025
Artikel 6
Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg
Dit artikel beschrijft het beleid dat de NZa hanteert om van productprijzen tot tarieven te komen.
De NZa heeft in de ‘Beleidsregel Algemeen kader tariefprincipes’ opgenomen welke uitgangspunten de NZa hanteert bij het vaststellen van tarieven. Het beleid voor de tarieven in de geneeskundige ggz en de fz sluit hierop aan.
De NZa baseert de tarieven op de productprijzen. Als op grond van het in artikel 5 beschreven toetsingskader voor bepaalde producten, of onderdeel van productprijzen, geen of onvoldoende betrouwbare productprijzen voorhanden zijn, bepaalt de NZa de productprijs op een alternatieve wijze. Deze wijze wordt per productsoort in dit artikel beschreven.
Het bepalen van een productprijs op alternatieve wijze, in veel gevallen extrapolatie, vindt alleen plaats als de productprijs ontbreekt of als onvoldoende betrouwbaar is beoordeeld. Productprijzen die op basis van expertinformatie zijn opgebouwd of afgeleid zijn van andere prestaties, hebben geen eigen toetsingskader. Beoordeling van deze productprijzen heeft al op andere wijze plaatsgevonden. Extrapolatie van productprijzen, of onderdelen van productprijzen, zal daarom alleen voorkomen bij prestaties die zijn opgebouwd vanuit werkelijke kostprijsinformatie.
Voor ontbrekende of onvoldoende betrouwbare onderdelen van de productprijs van een consult (kostprijs, directe minuten en indirecte tijd) zal het onderdeel (kostprijs, directe minuten, indirecte tijd) worden geëxtrapoleerd op basis van de beschikbare gegevens. De extrapolatie vindt plaats aan de hand van een statistisch model waarin alle factoren worden meegenomen die van invloed zijn de productprijs.
De productprijs, of onderdeel van de productprijs, wordt bepaald door de bijdrage van alle relevante factoren voor een consult op te tellen.
Als er voor een verblijfsprestatie in de ggz geen of een onvoldoende betrouwbare productprijs voorhanden is, gaat de NZa als volgt te werk:
a) Per verblijfscategorie wordt de gemiddelde inzet van het vov-personeel berekend, uitgedrukt als percentage van de onder- of bovengrens van de bandbreedte.
b) Tussen de gevalideerde productprijzen voor verblijf wordt een lineaire lijn getrokken.
c) Het onder a) genoemde percentage wordt toegepast op de ondergrens van de bandbreedte van de ontbrekende verblijfsprestatie.
d) Het tarief voor de ontbrekende verblijfsprestatie wordt vastgesteld op het punt waar de vov-inzet de lijn raakt.
Als er voor een verblijfsprestatie in de forensische zorg geen of een onvoldoende betrouwbare productprijs voorhanden is, dan vindt extrapolatie plaats op basis van een statistisch model waarin alle betrouwbare productprijzen van verblijf in de fz zijn opgenomen.
Als voor een Overige prestatie of Toeslag geen of onvoldoende betrouwbare productprijs beschikbaar is, maakt de NZa gebruikt van expert informatie. Zorgaanbieders, verzekeraars en de NZa treden in overleg. In de expertbenadering wordt beschreven wat nodig is om de zorg te leveren. Uit deze beschrijving wordt vervolgens het tarief afgeleid.
Wanneer er geen consensus is tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars en de NZa op basis van de expertbenadering, kan de NZa besluiten de productprijs niet te herijken en bestaande tarieven te indexeren.
De kosten van de kapitaallasten bij verblijfsdagen maken integraal onderdeel uit van de verblijfsprestatie. De wijze waarop deze kosten worden bepaald, staat beschreven in de ‘Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) gespecialiseerde ggz, forensische zorg en langdurige zorg’.
Voor verblijfsprestaties met beveiligingsniveau 2, 3 en 4 in de geneeskundige ggz wordt de nhc-component van de forensische zorg overgenomen.
Voor zzp-vg en zzp-c verblijfsprestaties in de forensische zorg wordt de nhc-component afgeleid van dezelfde prestaties zoals gelden in de Wlz.
De kosten van kapitaallasten bij consulten, overige prestaties en toeslagen maken integraal onderdeel uit van deze prestaties. De wijze waarop deze kosten zijn opgebouwd, staat beschreven in de ‘Eindrapportage Kapitaallasten bij behandeling’ van juli 2019. In deze rapportage staat beschreven hoe de huisvestingskosten per activiteit bepaald worden.
De kosten voor investeringen in de inventaris zijn voor alle prestaties onderdeel van de reguliere kostprijzen, uitgezonderd de zzp-vg en zzp-c prestaties in de forensische zorg. Voor de zzp-vg en zzp-c prestaties in de forensische zorg wordt de nic-component overgenomen van dezelfde prestaties zoals gelden in de Wlz.
De kosten voor het financieren van de zorgonderneming maken onderdeel uit van de tarieven in de ggz en fz: financiering van huisvesting, werkkapitaal, rente inventaris en de kosten van vermogen dat wordt aangehouden als buffer om calamiteiten op te vangen.
De kosten voor het financieren van huisvesting zijn normatief bepaald via de nhc-component, zoals opgenomen onder artikel 6.3 van deze beleidsregel.
De NZa past voor de kosten van het financieren van werkkapitaal een opslag toe op de productprijzen. Deze opslag is gebaseerd op financiële informatie van zorgaanbieders en een marktconform rentepercentage.
Omdat rentelasten geen onderdeel uitmaken van kostprijzen in de ggz en fz, past de NZa een opslag toe voor de rentelasten voor inventaris.
In de ggz en fz tarieven wordt rekening gehouden met opportunity costs door een vergoeding te bieden voor het gederfd rendement op het vermogen dat wordt aangehouden om calamiteiten op te vangen. Hierbij gaat de NZa ervan uit dat het eigen vermogen betreft.
Kosten en tarieven worden bijgesteld naar het prijspeil van het jaar waarin de tarieven zullen gelden. Dit vindt plaats op basis van prijsindexcijfers.
Omdat de definitieve prijsindexcijfers niet vóór het vaststellen van tarieven bekend zijn, worden voorlopige prijsindexcijfers gehanteerd. De definitieve prijsindexcijfers landen in de indexatie van tarieven voor het opvolgende jaar.
Tarief jaar t = (tarief jaar t-1) / (1+voorlopige index t-1) * (1+definitieve index t-1) * (1+voorlopige index jaar t)
Indexering vindt plaats op basis van een verhouding tussen het prijsindexcijfer materiële kosten en prijsindexcijfer personele kosten. De volgende verhouding wordt toepast:
• 85% index personele kosten/ 15% materiële kosten voor de productprijzen van consulten, verblijfsdagen, overige prestaties en toeslagen op consulten en verblijfsdagen.
• 75% index personele kosten/ 25% materiële kosten voor productprijzen van zzp-c en zzp-vg prestaties.
• De nhc-component wordt voor alle prestaties jaarlijks geïndexeerd met 2,5%.
Als prestaties, of onderdelen van prestaties, zijn afgeleid van andere prestaties of andere sectoren, zoals de Overige MSZ-prestaties in de ggz, dan volgt de NZa in beginsel de indexatie van die sector.
De NZa heeft in de ‘Beleidsregel Algemeen kader tariefprincipes’ opgenomen welke uitgangspunten de NZa hanteert bij het vaststellen van tarieven. Het beleid voor de tarieven in de geneeskundige ggz en de fz sluit hierop aan.
De NZa baseert de tarieven op de productprijzen. Als op grond van het in artikel 5 beschreven toetsingskader voor bepaalde producten, of onderdeel van productprijzen, geen of onvoldoende betrouwbare productprijzen voorhanden zijn, bepaalt de NZa de productprijs op een alternatieve wijze. Deze wijze wordt per productsoort in dit artikel beschreven.
Het bepalen van een productprijs op alternatieve wijze, in veel gevallen extrapolatie, vindt alleen plaats als de productprijs ontbreekt of als onvoldoende betrouwbaar is beoordeeld. Productprijzen die op basis van expertinformatie zijn opgebouwd of afgeleid zijn van andere prestaties, hebben geen eigen toetsingskader. Beoordeling van deze productprijzen heeft al op andere wijze plaatsgevonden. Extrapolatie van productprijzen, of onderdelen van productprijzen, zal daarom alleen voorkomen bij prestaties die zijn opgebouwd vanuit werkelijke kostprijsinformatie.
Voor ontbrekende of onvoldoende betrouwbare onderdelen van de productprijs van een consult (kostprijs, directe minuten en indirecte tijd) zal het onderdeel (kostprijs, directe minuten, indirecte tijd) worden geëxtrapoleerd op basis van de beschikbare gegevens. De extrapolatie vindt plaats aan de hand van een statistisch model waarin alle factoren worden meegenomen die van invloed zijn de productprijs.
De productprijs, of onderdeel van de productprijs, wordt bepaald door de bijdrage van alle relevante factoren voor een consult op te tellen.
Als er voor een verblijfsprestatie in de ggz geen of een onvoldoende betrouwbare productprijs voorhanden is, gaat de NZa als volgt te werk:
a) Per verblijfscategorie wordt de gemiddelde inzet van het vov-personeel berekend, uitgedrukt als percentage van de onder- of bovengrens van de bandbreedte.
b) Tussen de gevalideerde productprijzen voor verblijf wordt een lineaire lijn getrokken.
c) Het onder a) genoemde percentage wordt toegepast op de ondergrens van de bandbreedte van de ontbrekende verblijfsprestatie.
d) Het tarief voor de ontbrekende verblijfsprestatie wordt vastgesteld op het punt waar de vov-inzet de lijn raakt.
Als er voor een verblijfsprestatie in de forensische zorg geen of een onvoldoende betrouwbare productprijs voorhanden is, dan vindt extrapolatie plaats op basis van een statistisch model waarin alle betrouwbare productprijzen van verblijf in de fz zijn opgenomen.
Als voor een Overige prestatie of Toeslag geen of onvoldoende betrouwbare productprijs beschikbaar is, maakt de NZa gebruikt van expert informatie. Zorgaanbieders, verzekeraars en de NZa treden in overleg. In de expertbenadering wordt beschreven wat nodig is om de zorg te leveren. Uit deze beschrijving wordt vervolgens het tarief afgeleid.
Wanneer er geen consensus is tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars en de NZa op basis van de expertbenadering, kan de NZa besluiten de productprijs niet te herijken en bestaande tarieven te indexeren.
De kosten van de kapitaallasten bij verblijfsdagen maken integraal onderdeel uit van de verblijfsprestatie. De wijze waarop deze kosten worden bepaald, staat beschreven in de ‘Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) gespecialiseerde ggz, forensische zorg en langdurige zorg’.
Voor verblijfsprestaties met beveiligingsniveau 2, 3 en 4 in de geneeskundige ggz wordt de nhc-component van de forensische zorg overgenomen.
Voor zzp-vg en zzp-c verblijfsprestaties in de forensische zorg wordt de nhc-component afgeleid van dezelfde prestaties zoals gelden in de Wlz.
De kosten van kapitaallasten bij consulten, overige prestaties en toeslagen maken integraal onderdeel uit van deze prestaties. De wijze waarop deze kosten zijn opgebouwd, staat beschreven in de ‘Eindrapportage Kapitaallasten bij behandeling’ van juli 2019. In deze rapportage staat beschreven hoe de huisvestingskosten per activiteit bepaald worden.
De kosten voor investeringen in de inventaris zijn voor alle prestaties onderdeel van de reguliere kostprijzen, uitgezonderd de zzp-vg en zzp-c prestaties in de forensische zorg. Voor de zzp-vg en zzp-c prestaties in de forensische zorg wordt de nic-component overgenomen van dezelfde prestaties zoals gelden in de Wlz.
De kosten voor het financieren van de zorgonderneming maken onderdeel uit van de tarieven in de ggz en fz: financiering van huisvesting, werkkapitaal, rente inventaris en de kosten van vermogen dat wordt aangehouden als buffer om calamiteiten op te vangen.
De kosten voor het financieren van huisvesting zijn normatief bepaald via de nhc-component, zoals opgenomen onder artikel 6.3 van deze beleidsregel.
De NZa past voor de kosten van het financieren van werkkapitaal een opslag toe op de productprijzen. Deze opslag is gebaseerd op financiële informatie van zorgaanbieders en een marktconform rentepercentage.
Omdat rentelasten geen onderdeel uitmaken van kostprijzen in de ggz en fz, past de NZa een opslag toe voor de rentelasten voor inventaris.
In de ggz en fz tarieven wordt rekening gehouden met opportunity costs door een vergoeding te bieden voor het gederfd rendement op het vermogen dat wordt aangehouden om calamiteiten op te vangen. Hierbij gaat de NZa ervan uit dat het eigen vermogen betreft.
Kosten en tarieven worden bijgesteld naar het prijspeil van het jaar waarin de tarieven zullen gelden. Dit vindt plaats op basis van prijsindexcijfers.
Omdat de definitieve prijsindexcijfers niet vóór het vaststellen van tarieven bekend zijn, worden voorlopige prijsindexcijfers gehanteerd. De definitieve prijsindexcijfers landen in de indexatie van tarieven voor het opvolgende jaar.
Tarief jaar t = (tarief jaar t-1) / (1+voorlopige index t-1) * (1+definitieve index t-1) * (1+voorlopige index jaar t)
Indexering vindt plaats op basis van een verhouding tussen het prijsindexcijfer materiële kosten en prijsindexcijfer personele kosten. De volgende verhouding wordt toepast:
• 85% index personele kosten/ 15% materiële kosten voor de productprijzen van consulten, verblijfsdagen, overige prestaties en toeslagen op consulten en verblijfsdagen.
• 75% index personele kosten/ 25% materiële kosten voor productprijzen van zzp-c en zzp-vg prestaties.
• De nhc-component wordt voor alle prestaties jaarlijks geïndexeerd met 2,5%.
Als prestaties, of onderdelen van prestaties, zijn afgeleid van andere prestaties of andere sectoren, zoals de Overige MSZ-prestaties in de ggz, dan volgt de NZa in beginsel de indexatie van die sector.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0050532
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl