BWBR0049998
Geldig vanaf 2024-07-17
Artikel 61
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2024
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit oppervlaktewater, afvalwater, drinkwater of zeewater, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd door middel van een warmtepomp op basis van een halogeenvrij koudemiddel met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, waarbij:
a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt en: 1°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;
2°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert via een op het moment van aanvraag bestaand warmtenet voor verwarming van gebouwde omgeving; of
3°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving en niet wordt gebruikt voor koudelevering en waarbij er sprake is van een nieuw warmteoverdrachtsstation;
1°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;
2°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert via een op het moment van aanvraag bestaand warmtenet voor verwarming van gebouwde omgeving; of
3°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving en niet wordt gebruikt voor koudelevering en waarbij er sprake is van een nieuw warmteoverdrachtsstation;
b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt en: 1°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of
2°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte.
1°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of
2°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte.
a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt en: 1°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;
2°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert via een op het moment van aanvraag bestaand warmtenet voor verwarming van gebouwde omgeving; of
3°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving en niet wordt gebruikt voor koudelevering en waarbij er sprake is van een nieuw warmteoverdrachtsstation;
1°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;
2°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert via een op het moment van aanvraag bestaand warmtenet voor verwarming van gebouwde omgeving; of
3°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving en niet wordt gebruikt voor koudelevering en waarbij er sprake is van een nieuw warmteoverdrachtsstation;
b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt en: 1°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of
2°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte.
1°. de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of
2°. de productie-installatie beschikt over een seizoensopslag voor warmte.