BWBR0049846
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 4
Besluit aanwijzing Halt-feiten 2024
1. De strafbare feiten waarvoor een Halt-afdoening kan worden aangeboden door de opsporingsambtenaar, na verleende toestemming daartoe van de officier van justitie, zijn:
a. de artikelen 138ab, 138b, eerste lid, 139c, 139d, derde lid, en 350a van het Wetboek van Strafrecht;
b. de artikelen 141, eerste lid en tweede lid, onderdeel 1°, en 300, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het openlijk geweld tegen personen betreft waarbij er sprake is van geen of niet meer dan zeer gering letsel;
c. artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht;
d. artikel 213 van het Wetboek van Strafrecht;
e. de artikelen 230 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, anders dan het gebruiken in de horeca van een identiteitsbewijs op naam van een ander of een eenvoudig vervalst identiteitsbewijs;
f. de artikelen 266, 267, eerste lid, onderdeel 2°, van het Wetboek van Strafrecht;
g. artikel 285, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het mondelinge of schriftelijke bedreiging betreft;
h. artikel 440 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het reisdocumenten, of identiteitsbewijzen betreft.
2. Voor de strafbare feiten uit artikel 3waarbij de schade de maximale schadebedragen te boven gaat, kan de opsporingsambtenaar, na verleende toestemming daartoe van de officier van justitie en met inachtneming van de voorwaarden genoemd in artikel 2, eerste lid, en de omstandigheden van het geval, een Halt-afdoening aanbieden, indien het schadebedrag niet meer bedraagt dan € 2.500 per dader en de totale schade niet meer dan € 7500, dan wel de waarde van het goed niet meer bedraagt dan € 1.000.
a. de artikelen 138ab, 138b, eerste lid, 139c, 139d, derde lid, en 350a van het Wetboek van Strafrecht;
b. de artikelen 141, eerste lid en tweede lid, onderdeel 1°, en 300, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het openlijk geweld tegen personen betreft waarbij er sprake is van geen of niet meer dan zeer gering letsel;
c. artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht;
d. artikel 213 van het Wetboek van Strafrecht;
e. de artikelen 230 en 231 van het Wetboek van Strafrecht, anders dan het gebruiken in de horeca van een identiteitsbewijs op naam van een ander of een eenvoudig vervalst identiteitsbewijs;
f. de artikelen 266, 267, eerste lid, onderdeel 2°, van het Wetboek van Strafrecht;
g. artikel 285, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het mondelinge of schriftelijke bedreiging betreft;
h. artikel 440 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het reisdocumenten, of identiteitsbewijzen betreft.
2. Voor de strafbare feiten uit artikel 3waarbij de schade de maximale schadebedragen te boven gaat, kan de opsporingsambtenaar, na verleende toestemming daartoe van de officier van justitie en met inachtneming van de voorwaarden genoemd in artikel 2, eerste lid, en de omstandigheden van het geval, een Halt-afdoening aanbieden, indien het schadebedrag niet meer bedraagt dan € 2.500 per dader en de totale schade niet meer dan € 7500, dan wel de waarde van het goed niet meer bedraagt dan € 1.000.