BWBR0049793
Geldig vanaf 2024-06-11
Artikel 9
Regeling provinciale maatregelen landelijk gebied
1. De provincie spant zich ervoor in de uitkering zodanig aan te wenden dat de meest doelmatige en doeltreffende bijdrage wordt geleverd aan de doelen, genoemd in artikel 5, eerste lid.
2. De provincie neemt bij de besteding van de uitkering het Unierecht met betrekking tot mededinging, aanbesteding en staatssteun in acht.
3. De provincie rapporteert jaarlijks voor 1 mei over het voorgaande kalenderjaar aan de minister over de voortgang van de gebiedsprocessen en maatregelen. De rapportage bespreekt in ieder geval de in de beschikking tot verlening opgenomen elementen.
4. De provincie deelt voor 1 oktober 2024 en 1 oktober 2025 aan de minister het bedrag mee dat zij voor 2025, respectievelijk 2026 raamt als compensabele omzetbelasting.
5. De minister kan in de beschikking tot verlening verplichtingen opleggen over de wijze van vastlegging van de gegevens die zijn gebruikt bij het in kaart brengen van de effecten van de gebiedsprocessen of maatregelen waarvoor de uitkering is verstrekt.
6. De minister kan in de beschikking tot verlening andere verplichtingen opleggen die bijdragen aan de in het eerste lid bedoelde doelen.
2. De provincie neemt bij de besteding van de uitkering het Unierecht met betrekking tot mededinging, aanbesteding en staatssteun in acht.
3. De provincie rapporteert jaarlijks voor 1 mei over het voorgaande kalenderjaar aan de minister over de voortgang van de gebiedsprocessen en maatregelen. De rapportage bespreekt in ieder geval de in de beschikking tot verlening opgenomen elementen.
4. De provincie deelt voor 1 oktober 2024 en 1 oktober 2025 aan de minister het bedrag mee dat zij voor 2025, respectievelijk 2026 raamt als compensabele omzetbelasting.
5. De minister kan in de beschikking tot verlening verplichtingen opleggen over de wijze van vastlegging van de gegevens die zijn gebruikt bij het in kaart brengen van de effecten van de gebiedsprocessen of maatregelen waarvoor de uitkering is verstrekt.
6. De minister kan in de beschikking tot verlening andere verplichtingen opleggen die bijdragen aan de in het eerste lid bedoelde doelen.