BWBR0049412
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 11
Wet Adviescollege ICT-toetsing
1. Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening of een zelfstandig bestuursorgaan verzoekt voor aanvang van een ICT-project het Adviescollege om een advies als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°.
2. Een advies van het Adviescollege als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, wordt binnen vier weken na ontvangst ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal gezonden door:
a. Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van deze Minister;
b. Onze Minister die het aangaat, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van een zelfstandig bestuursorgaan;
c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van de politie;
d. Onze Minister voor Rechtsbescherming, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van de Raad voor rechtspraak.
3. Ingeval een advies van het Adviescollege als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, niet wordt opgevolgd, wordt dat, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, met redenen omkleed medegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4. Het bereiken van overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op een ICT-project of een informatiesysteem van de Raad voor de rechtspraak.
5. Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening of een zelfstandig bestuursorgaan kan het Adviescollege verzoeken om nader advies over de risico’s en slaagkans van een ICT-project dat is gestart.
2. Een advies van het Adviescollege als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, wordt binnen vier weken na ontvangst ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal gezonden door:
a. Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van deze Minister;
b. Onze Minister die het aangaat, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van een zelfstandig bestuursorgaan;
c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van de politie;
d. Onze Minister voor Rechtsbescherming, indien het een advies betreft over een ICT-project of informatiesysteem van de Raad voor rechtspraak.
3. Ingeval een advies van het Adviescollege als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, niet wordt opgevolgd, wordt dat, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, met redenen omkleed medegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4. Het bereiken van overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op een ICT-project of een informatiesysteem van de Raad voor de rechtspraak.
5. Onze Minister die verantwoordelijk is voor de ICT-voorziening of een zelfstandig bestuursorgaan kan het Adviescollege verzoeken om nader advies over de risico’s en slaagkans van een ICT-project dat is gestart.