BWBR0049186
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 3
Besluit aanwijzing toezichthouders Omgevingswet
1. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Leefomgeving en Transport, tenzij in het derde tot en met het vijfde lid anders is bepaald.
2. Als personen belast met het toezicht, bedoeld in artikel 18.6a, derde lid, van de Omgevingswet, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Leefomgeving en Transport.
3. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen de directeuren van de bedrijfseenheden Inframanagement en Verkeersleiding en de onder hen werkzame medewerkers van ProRail B.V. ten aanzien van:
a. bij algemene maatregel van bestuur over een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg gestelde regels als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder c, onder 2°, van de Omgevingswet;
b. het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg te verrichten; en
c. het verbod, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet, om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg.
4. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor Rijkswaterstaat ten aanzien van:
a. toegangsverboden tot waterstaatswerken en wegen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.40 van de Omgevingswet;
b. activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 6 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c. activiteiten in de Noordzee bedoeld in hoofdstuk 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
d. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
e. activiteiten rond rijkswegen bedoeld in hoofdstuk 8 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
f. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 17 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
g. gedoogplichten, bedoeld in artikelen 10.2, 10.3 en 10.17 van de Omgevingswet;
h. peilbesluiten, bedoeld in artikel 13.1, eerste lid aanhef en onderdeel d, subonderdeel 2°;
met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in de aanhef en onder b tot en met d en f, niet van toepassing is voor zover het betreft activiteiten die worden verricht door Rijkswaterstaat.
5. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor het Staatstoezicht op de Mijnen ten aanzien van het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 7.2.3en 7.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
6. Als personen mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn:
a. voor het Staatstoezicht op de Mijnen voor windparken op zee;
b. voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.6, 2.18, 2.22, 2.23 en 2.32 en paragraaf 16.3.5 van de Omgevingswet; en
c. voor een beheerder van regionale wateren ten aanzien van wateractiviteiten met betrekking tot regionale wateren waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, met toepassing van artikel 5.11, derde lid, of 5.12, vierde lid, van de Omgevingswet.
7. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 20.6in verband met artikel 20.7, aanhef en onder b, van de Omgevingsweten de EG-verordening PRTR, worden ook aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor:
a. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voor zover het betreft de beleidsterreinen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; en
b. het Staatstoezicht op de Mijnen, voor zover het betreft mijnbouwwerken en pijpleidingen.
8. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden ook aangewezen diegenen die werkzaam zijn bij het Havenbedrijf Amsterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Amsterdam en diegenen die werkzaam zijn bij het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Rotterdam, ten aanzien van:
a. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 17 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
c. gedoogplichten, bedoeld in de artikelen 10.2 en 10.3 van de Omgevingswet.
2. Als personen belast met het toezicht, bedoeld in artikel 18.6a, derde lid, van de Omgevingswet, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Leefomgeving en Transport.
3. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen de directeuren van de bedrijfseenheden Inframanagement en Verkeersleiding en de onder hen werkzame medewerkers van ProRail B.V. ten aanzien van:
a. bij algemene maatregel van bestuur over een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg gestelde regels als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder c, onder 2°, van de Omgevingswet;
b. het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg te verrichten; en
c. het verbod, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet, om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg.
4. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor Rijkswaterstaat ten aanzien van:
a. toegangsverboden tot waterstaatswerken en wegen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.40 van de Omgevingswet;
b. activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 6 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c. activiteiten in de Noordzee bedoeld in hoofdstuk 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
d. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
e. activiteiten rond rijkswegen bedoeld in hoofdstuk 8 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
f. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 17 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
g. gedoogplichten, bedoeld in artikelen 10.2, 10.3 en 10.17 van de Omgevingswet;
h. peilbesluiten, bedoeld in artikel 13.1, eerste lid aanhef en onderdeel d, subonderdeel 2°;
met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in de aanhef en onder b tot en met d en f, niet van toepassing is voor zover het betreft activiteiten die worden verricht door Rijkswaterstaat.
5. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor het Staatstoezicht op de Mijnen ten aanzien van het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 7.2.3en 7.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
6. Als personen mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wetde bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn:
a. voor het Staatstoezicht op de Mijnen voor windparken op zee;
b. voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.6, 2.18, 2.22, 2.23 en 2.32 en paragraaf 16.3.5 van de Omgevingswet; en
c. voor een beheerder van regionale wateren ten aanzien van wateractiviteiten met betrekking tot regionale wateren waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, met toepassing van artikel 5.11, derde lid, of 5.12, vierde lid, van de Omgevingswet.
7. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 20.6in verband met artikel 20.7, aanhef en onder b, van de Omgevingsweten de EG-verordening PRTR, worden ook aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor:
a. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voor zover het betreft de beleidsterreinen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; en
b. het Staatstoezicht op de Mijnen, voor zover het betreft mijnbouwwerken en pijpleidingen.
8. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden ook aangewezen diegenen die werkzaam zijn bij het Havenbedrijf Amsterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Amsterdam en diegenen die werkzaam zijn bij het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Rotterdam, ten aanzien van:
a. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
b. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 17 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
c. gedoogplichten, bedoeld in de artikelen 10.2 en 10.3 van de Omgevingswet.