BWBR0048601
Geldig vanaf 2025-01-01
Artikel 2.1
Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg
1. De colleges en ziektekostenverzekeraars verstrekken elkaar kosteloos de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens, waaronder persoonsgegevens, gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, die noodzakelijk zijn voor de bestrijding van fraude in de zorg. Deze gegevens hebben betrekking op natuurlijke personen of rechtspersonen ten aanzien van wie de gerechtvaardigde overtuiging bestaat dat zij fraude hebben gepleegd met zorg of overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, jeugdhulp en de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in de Jeugdwetof de door een ziektekostenverzekeraar te vergoeden zorg, die niet behoort tot het verzekerde pakket van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg.
2. De in het eerste lid genoemde instanties verstrekken elkaar de in dat lid bedoelde gegevens niet eerder dan nadat zij, overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen protocol, voor de verwerking van deze gegevens de gerechtvaardigde overtuiging hebben dat er sprake is van fraude in de zorg.
3. De in het eerste lid genoemde instanties zijn bevoegd tot het verwerken van de in dat lid bedoelde gegevens enkel voor de bestrijding van de in dat lid bedoelde fraude.
4. De colleges en ziektekostenverzekeraars dragen zorg dat na toepassing van het tweede lid de verwerking van deze gegevens wordt beëindigd indien niet langer de gerechtvaardigde overtuiging bestaat dat er sprake is van fraude in de zorg.
5. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
2. De in het eerste lid genoemde instanties verstrekken elkaar de in dat lid bedoelde gegevens niet eerder dan nadat zij, overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen protocol, voor de verwerking van deze gegevens de gerechtvaardigde overtuiging hebben dat er sprake is van fraude in de zorg.
3. De in het eerste lid genoemde instanties zijn bevoegd tot het verwerken van de in dat lid bedoelde gegevens enkel voor de bestrijding van de in dat lid bedoelde fraude.
4. De colleges en ziektekostenverzekeraars dragen zorg dat na toepassing van het tweede lid de verwerking van deze gegevens wordt beëindigd indien niet langer de gerechtvaardigde overtuiging bestaat dat er sprake is van fraude in de zorg.
5. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.