BWBR0048363
Geldig vanaf 04-07-2023
Artikel 6
Statuten Stichting Nederlands Letterenfonds
1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting en met het beheer van en de beschikking over het vermogen van de stichting binnen de grenzen van haar doel en onverminderd het bepaalde in artikel 17, en binnen de grenzen van een door de raad van toezicht goed te keuren bestuursreglement.
Bij de vervulling van haar taak richten de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.
2. Het bestuur is, met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, of tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt, alsmede tot vertegenwoordiging van de stichting ter zake van deze handelingen.
3. Het bestuur kan zich bij besluitvorming over aanvragen van een subsidie laten adviseren door een of meerdere adviseurs of adviescolleges. Leden van adviescolleges worden benoemd op basis van een profielschets en ontslagen door het bestuur.
4. Bestuursleden doen opgave van hun nevenfuncties aan de raad van toezicht, waaronder bestuursfuncties, commissariaten en adviseurschappen. Een bestuurder dient melding te doen van zakelijke banden tussen de stichting en een andere rechtspersoon of onderneming waarmee de bestuurder – direct dan wel indirect – persoonlijk is betrokken.
5. Een bestuurder kan geen subsidie ontvangen uit de middelen van het fonds.
6. Bestuurders kunnen – behoudens ontheffing door de raad van toezicht – geen directielid of bestuurslid zijn van of het lidmaatschap van een toezichthoudend orgaan bekleden van een instelling die eenzelfde of een gelijksoortig doel heeft als de stichting met uitzondering van die functies die zij qualitate qua bekleden.
7. Het bestuur doet een voorstel aan de raad van toezicht omtrent de besluitvorming en de werkwijze van het bestuur waarin begrepen de informatievoorziening aan de raad van toezicht. Deze regels worden schriftelijk vastgelegd in een bestuursreglement en vastgesteld door de raad van toezicht. Doet het bestuur geen voorstel voor een bestuursreglement, dan is de raad van toezicht bevoegd het bestuursreglement zelfstandig vast te stellen.
8. Besluiten van het bestuur kunnen te allen tijde schriftelijk worden genomen.
9. Het bestuur stelt de volgende plannen op en herziet deze zo nodig;
a. een jaarlijks beleidsplan met de daarbij behorende begroting;
b. een voortschrijdend meerjarenbeleidsplan;
c. een plan inzake een adequaat risicobeheersings- en controlesysteem;
d. eventuele andere plannen als van tijd tot tijd door de raad van toezicht te bepalen.
10. De plannen behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht.
Bij de vervulling van haar taak richten de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie.
2. Het bestuur is, met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, of tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt, alsmede tot vertegenwoordiging van de stichting ter zake van deze handelingen.
3. Het bestuur kan zich bij besluitvorming over aanvragen van een subsidie laten adviseren door een of meerdere adviseurs of adviescolleges. Leden van adviescolleges worden benoemd op basis van een profielschets en ontslagen door het bestuur.
4. Bestuursleden doen opgave van hun nevenfuncties aan de raad van toezicht, waaronder bestuursfuncties, commissariaten en adviseurschappen. Een bestuurder dient melding te doen van zakelijke banden tussen de stichting en een andere rechtspersoon of onderneming waarmee de bestuurder – direct dan wel indirect – persoonlijk is betrokken.
5. Een bestuurder kan geen subsidie ontvangen uit de middelen van het fonds.
6. Bestuurders kunnen – behoudens ontheffing door de raad van toezicht – geen directielid of bestuurslid zijn van of het lidmaatschap van een toezichthoudend orgaan bekleden van een instelling die eenzelfde of een gelijksoortig doel heeft als de stichting met uitzondering van die functies die zij qualitate qua bekleden.
7. Het bestuur doet een voorstel aan de raad van toezicht omtrent de besluitvorming en de werkwijze van het bestuur waarin begrepen de informatievoorziening aan de raad van toezicht. Deze regels worden schriftelijk vastgelegd in een bestuursreglement en vastgesteld door de raad van toezicht. Doet het bestuur geen voorstel voor een bestuursreglement, dan is de raad van toezicht bevoegd het bestuursreglement zelfstandig vast te stellen.
8. Besluiten van het bestuur kunnen te allen tijde schriftelijk worden genomen.
9. Het bestuur stelt de volgende plannen op en herziet deze zo nodig;
a. een jaarlijks beleidsplan met de daarbij behorende begroting;
b. een voortschrijdend meerjarenbeleidsplan;
c. een plan inzake een adequaat risicobeheersings- en controlesysteem;
d. eventuele andere plannen als van tijd tot tijd door de raad van toezicht te bepalen.
10. De plannen behoeven de goedkeuring van de raad van toezicht.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0048363
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl