BWBR0048336
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 7
Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT
1. Onze Minister verstrekt aan de commissie de lijst van UHP KOT-ouders en de lijst van UHP KOT-kinderen, ten behoeve van het in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, genoemde doel. Onze Minister verstrekt de lijst van UHP KOT-ouders en de lijst van UHP KOT-kinderen aan de commissie tenminste zes weken na het doen van een ondersteuningsaanbod aan de UHP KOT-ouders.
2. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling geven, op verzoek van de commissie, aan de commissie of aan de instelling of dienst waaraan de commissie een verzoek heeft gedaan inzage in het dossier van een UHP KOT-kind, ten behoeve van het uitvoeren van de taak, bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit. Op een dergelijk verzoek gedaan aan de Raad voor de rechtspraak of het gerecht kan inzage worden gegeven in het dossier van een UHP KOT-kind. Indien de Raad voor de rechtspraak of het gerecht geen inzage geven in het dossier van een UHP KOT-kind en de commissie of de instelling of dienst waaraan de commissie een verzoek heeft gedaan Onze Minister hiervan op de hoogte stelt, verzoekt Onze Minister de Raad voor de rechtspraak of het gerecht dat geen inzage geeft in het dossier van een UHP KOT-kind om een motivering en informeert Onze Minister de Tweede Kamer van de Staten-Generaal terstond over dit verzoek en de reactie van de Raad voor de rechtspraak of het gerecht.
3. De verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door de commissie is de voorzitter van de commissie.
4. Gelet op artikel 9, tweede lid, aanhef en onder g, en artikel 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming mag de commissie of de instelling of dienst waaraan de commissie een verzoek heeft gedaan bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbeschermingverwerken indien:
a. de verwerking door de commissie noodzakelijk is ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit en artikel 2, tweede lid, onderdeel d, en
b. de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens of indien het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning vergt, en
c. er voldoende aanvullende passende en specifieke waarborgen zijn genomen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen van de betrokkenen.
5. Indien de commissie gegevens over de gezondheid verwerkt, is artikel 30, vierde lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbeschermingvan overeenkomstige toepassing.
6. In het eindrapport van de commissie wordt aangegeven op welke wijze de commissie de bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard heeft verwerkt.
7. In het eindrapport van de commissie worden geen tot personen herleidbare gegevens opgenomen.
2. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling geven, op verzoek van de commissie, aan de commissie of aan de instelling of dienst waaraan de commissie een verzoek heeft gedaan inzage in het dossier van een UHP KOT-kind, ten behoeve van het uitvoeren van de taak, bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit. Op een dergelijk verzoek gedaan aan de Raad voor de rechtspraak of het gerecht kan inzage worden gegeven in het dossier van een UHP KOT-kind. Indien de Raad voor de rechtspraak of het gerecht geen inzage geven in het dossier van een UHP KOT-kind en de commissie of de instelling of dienst waaraan de commissie een verzoek heeft gedaan Onze Minister hiervan op de hoogte stelt, verzoekt Onze Minister de Raad voor de rechtspraak of het gerecht dat geen inzage geeft in het dossier van een UHP KOT-kind om een motivering en informeert Onze Minister de Tweede Kamer van de Staten-Generaal terstond over dit verzoek en de reactie van de Raad voor de rechtspraak of het gerecht.
3. De verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door de commissie is de voorzitter van de commissie.
4. Gelet op artikel 9, tweede lid, aanhef en onder g, en artikel 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming mag de commissie of de instelling of dienst waaraan de commissie een verzoek heeft gedaan bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbeschermingverwerken indien:
a. de verwerking door de commissie noodzakelijk is ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit en artikel 2, tweede lid, onderdeel d, en
b. de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens of indien het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning vergt, en
c. er voldoende aanvullende passende en specifieke waarborgen zijn genomen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen van de betrokkenen.
5. Indien de commissie gegevens over de gezondheid verwerkt, is artikel 30, vierde lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbeschermingvan overeenkomstige toepassing.
6. In het eindrapport van de commissie wordt aangegeven op welke wijze de commissie de bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard heeft verwerkt.
7. In het eindrapport van de commissie worden geen tot personen herleidbare gegevens opgenomen.