BWBR0048168
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 5
Regeling betrouwbaarheidsniveaus authenticatie elektronische dienstverlening
1. Afgifte en intrekking van een machtiging wordt elektronisch geregistreerd.
2. Bij afgifte van een machtiging is sprake van een kenbare wilsuiting van de machtiginggever om:
a. de dienst af te nemen, en
b. dit door de beoogd gemachtigde te laten doen.
3. Afgifte en intrekking van een machtiging kan langs elektronische en niet-elektronische weg.
4. De betrouwbaarheid van een machtigingsregistratie is tenminste gelijk aan het betrouwbaarheidsniveau dat voor de authenticatie voor de dienst is vereist.
5. Bij de registratie van een machtiging die langs elektronische weg is afgegeven gebruiken machtiginggever en gemachtigde een identificatiemiddel op tenminste hetzelfde betrouwbaarheidsniveau als voor de dienst is vereist.
6. Bij de registratie van een machtiging, die niet of niet geheel langs elektronische weg is afgegeven, bepaalt het bestuursorgaan of de aangewezen organisatie of de betrouwbaarheid van de machtiging gewaarborgd is.
7. Het bestuursorgaan of de aangewezen organisatie kan bepalen dat de betrouwbaarheid van een machtigingsregistratie lager mag zijn dan het betrouwbaarheidsniveau dat voor de authenticatie van de dienst vereist is, mits adequate aanvullende maatregelen in het proces van dienstverlening of toegangsverlening worden getroffen.
2. Bij afgifte van een machtiging is sprake van een kenbare wilsuiting van de machtiginggever om:
a. de dienst af te nemen, en
b. dit door de beoogd gemachtigde te laten doen.
3. Afgifte en intrekking van een machtiging kan langs elektronische en niet-elektronische weg.
4. De betrouwbaarheid van een machtigingsregistratie is tenminste gelijk aan het betrouwbaarheidsniveau dat voor de authenticatie voor de dienst is vereist.
5. Bij de registratie van een machtiging die langs elektronische weg is afgegeven gebruiken machtiginggever en gemachtigde een identificatiemiddel op tenminste hetzelfde betrouwbaarheidsniveau als voor de dienst is vereist.
6. Bij de registratie van een machtiging, die niet of niet geheel langs elektronische weg is afgegeven, bepaalt het bestuursorgaan of de aangewezen organisatie of de betrouwbaarheid van de machtiging gewaarborgd is.
7. Het bestuursorgaan of de aangewezen organisatie kan bepalen dat de betrouwbaarheid van een machtigingsregistratie lager mag zijn dan het betrouwbaarheidsniveau dat voor de authenticatie van de dienst vereist is, mits adequate aanvullende maatregelen in het proces van dienstverlening of toegangsverlening worden getroffen.