BWBR0048105
Geldig vanaf 2023-04-29
Artikel 9
Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 2023
1. De minister stemt in met een voornemen voor een (gedeeltelijke) nevenvestiging van een bestaande opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wetindien voldaan is aan artikel 6.
2. De minister stemt in met een voornemen voor een (gedeeltelijke) verplaatsing van een bestaande opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wetindien het instellingsbestuur aantoont dat de verplaatsing geen nadelige gevolgen heeft voor de spreiding van het landelijke opleidingsaanbod.
3. In geval van het gedeeltelijk verzorgen van een opleiding buiten een vestigingsplaats daarvan is de instemming van de minister enkel nodig indien:
a. minimaal de propedeutische fase of de eerste 60 studiepunten van een opleiding in een nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd;
b. minimaal een afstudeerrichting in een nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd;
c. minimaal een derde van de gehele studielast van de opleiding, inclusief afstudeerprojecten maar exclusief stages en situaties genoemd in het vierde lid, in een nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd;
d. het een opleiding betreft die op basis van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen wordt gesubsidieerd waarvan het praktijkgedeelte voor meer dan de helft van het curriculum in de nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd, exclusief situaties genoemd in het vierde lid.
4. De in het vorige lid bij onderdelen c en d genoemde normen hebben geen betrekking op de situatie van een student die:
– het beroepsuitoefeningsdeel van een duale opleiding op individuele basis in een of meer andere gemeentes doorloopt; of
– een deeltijdse opleiding volgt en met wie op individuele basis een overeenkomst is gesloten die vergelijkbaar is met de overeenkomst als bedoeld in artikel 7.7, vijfde lid, van de wet.
2. De minister stemt in met een voornemen voor een (gedeeltelijke) verplaatsing van een bestaande opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de wetindien het instellingsbestuur aantoont dat de verplaatsing geen nadelige gevolgen heeft voor de spreiding van het landelijke opleidingsaanbod.
3. In geval van het gedeeltelijk verzorgen van een opleiding buiten een vestigingsplaats daarvan is de instemming van de minister enkel nodig indien:
a. minimaal de propedeutische fase of de eerste 60 studiepunten van een opleiding in een nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd;
b. minimaal een afstudeerrichting in een nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd;
c. minimaal een derde van de gehele studielast van de opleiding, inclusief afstudeerprojecten maar exclusief stages en situaties genoemd in het vierde lid, in een nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd;
d. het een opleiding betreft die op basis van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen wordt gesubsidieerd waarvan het praktijkgedeelte voor meer dan de helft van het curriculum in de nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd, exclusief situaties genoemd in het vierde lid.
4. De in het vorige lid bij onderdelen c en d genoemde normen hebben geen betrekking op de situatie van een student die:
– het beroepsuitoefeningsdeel van een duale opleiding op individuele basis in een of meer andere gemeentes doorloopt; of
– een deeltijdse opleiding volgt en met wie op individuele basis een overeenkomst is gesloten die vergelijkbaar is met de overeenkomst als bedoeld in artikel 7.7, vijfde lid, van de wet.