BWBR0048050
Geldig vanaf 2023-11-29
Artikel 8
Uitvoeringswet EU-verordeningen grenzen en veiligheid
1. Doorzoeking van het gemeenschappelijk identiteitsregister ter identificatie, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa en artikel 20, tweede lid, van de Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie vindt slechts plaats met het oog op een juiste, betrouwbare en zorgvuldige vaststelling van de identiteit van:
a. vreemdelingen, met uitzondering van gemeenschapsonderdanen, als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op de uitvoering van die wet;
b. verdachten en veroordeelden.
2. In het geval als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan doorzoeking plaatsvinden, indien de bevoegdheid bestaat de identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 106a, eerste lid, laatste zin, van de Vreemdelingenwet 2000.
3. In het geval als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan doorzoeking plaatsvinden, indien de bevoegdheid bestaat de identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in:
a. artikel 27a, tweede lid, eerste zin, van het Wetboek van Strafvordering;
b. artikel 55c, tweede lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering;
c. artikel 28, derde lid, derde zin, van de Penitentiaire beginselenwet;
d. artikel 33, derde lid, derde zin, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
e. artikel 22, tweede lid, derde zin, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
4. Doorzoeking van het gemeenschappelijk identiteitsregister ter identificatie, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa en artikel 20, vierde lid, van de Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie kan plaatsvinden, indien op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012hulp wordt verleend aan hen die deze behoeven of de bevoegdheid bestaat de identiteit van een lijk vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 55c, vierde lid, van het Wetboek van Strafvorderingof artikel 21, vierde lid, van de Wet op de lijkbezorging.
a. vreemdelingen, met uitzondering van gemeenschapsonderdanen, als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op de uitvoering van die wet;
b. verdachten en veroordeelden.
2. In het geval als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan doorzoeking plaatsvinden, indien de bevoegdheid bestaat de identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 106a, eerste lid, laatste zin, van de Vreemdelingenwet 2000.
3. In het geval als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan doorzoeking plaatsvinden, indien de bevoegdheid bestaat de identiteit vast te stellen op de wijze, bedoeld in:
a. artikel 27a, tweede lid, eerste zin, van het Wetboek van Strafvordering;
b. artikel 55c, tweede lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering;
c. artikel 28, derde lid, derde zin, van de Penitentiaire beginselenwet;
d. artikel 33, derde lid, derde zin, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
e. artikel 22, tweede lid, derde zin, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
4. Doorzoeking van het gemeenschappelijk identiteitsregister ter identificatie, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa en artikel 20, vierde lid, van de Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie kan plaatsvinden, indien op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012hulp wordt verleend aan hen die deze behoeven of de bevoegdheid bestaat de identiteit van een lijk vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 55c, vierde lid, van het Wetboek van Strafvorderingof artikel 21, vierde lid, van de Wet op de lijkbezorging.