BWBR0047947
Geldig vanaf 2023-03-07
Artikel 5
Beleidsregel kaders medewerking defensie aan (defensie-) schietverenigingen, studentenweerbaarheidsverenigingen en defensieschietteams
1. Door het Ministerie van Defensie kan in het kader van de militaire schietsport medewerking worden verleend aan een defensieschietteam om bij het Ministerie van Defensie in gebruik zijnde schietbanen dan wel schietterreinen te gebruiken. Door het Ministerie van Defensie kunnen wapens, toebehoren, aanvullende uitrusting of ander materiaal in gebruik worden gegeven.
2. Medewerking kan slechts plaatsvinden voor zover militaire belangen of andere overheidsbelangen daardoor niet worden geschaad en indien daarmee is ingestemd door het hoofd defensieonderdeel of een door deze aangewezen ondergeschikte.
3. In gebruik gegeven wapens, toebehoren, aanvullende uitrusting of ander materiaal worden niet meegenomen of opgeslagen buiten defensieterreinen, tenzij in uitzonderlijke gevallen door het in het vorige lid bedoelde hoofd defensieonderdeel zelf daarvoor schriftelijk toestemming is verleend.
4. Indien door het hoofd defensieonderdeel ingevolge het derde lid van dit artikel toestemming wordt verleend voor opslag buiten het defensieterrein, dan zijn de opslageisen als omschreven in artikel 43c, eerste tot en met vierde lid, van de Regeling wapens en munitievan overeenkomstige toepassing en ziet het hoofd defensieonderdeel er op toe dat aan die eisen wordt voldaan onder meer door middel van een minimaal jaarlijkse onaangekondigde thuiscontrole. De eisen als omschreven in artikel 44, tweede lid, onderdeel b tot en met d van de Regeling wapens en munitiezijn van overeenkomstige toepassing op het vervoer van de betreffende wapens. Het vervoer is slechts toegestaan voor zo ver het betreft vervoer van en naar een schietbaan of defensieterrein in het kader van schietwedstrijden- of trainingen.
5. De toestemming, bedoeld in het derde lid, kan op ieder moment worden ingetrokken. Van een verleende toestemming tot opslag buiten defensieterreinen wordt mededeling gedaan aan de Koninklijke marechaussee en de Nationale politie.
2. Medewerking kan slechts plaatsvinden voor zover militaire belangen of andere overheidsbelangen daardoor niet worden geschaad en indien daarmee is ingestemd door het hoofd defensieonderdeel of een door deze aangewezen ondergeschikte.
3. In gebruik gegeven wapens, toebehoren, aanvullende uitrusting of ander materiaal worden niet meegenomen of opgeslagen buiten defensieterreinen, tenzij in uitzonderlijke gevallen door het in het vorige lid bedoelde hoofd defensieonderdeel zelf daarvoor schriftelijk toestemming is verleend.
4. Indien door het hoofd defensieonderdeel ingevolge het derde lid van dit artikel toestemming wordt verleend voor opslag buiten het defensieterrein, dan zijn de opslageisen als omschreven in artikel 43c, eerste tot en met vierde lid, van de Regeling wapens en munitievan overeenkomstige toepassing en ziet het hoofd defensieonderdeel er op toe dat aan die eisen wordt voldaan onder meer door middel van een minimaal jaarlijkse onaangekondigde thuiscontrole. De eisen als omschreven in artikel 44, tweede lid, onderdeel b tot en met d van de Regeling wapens en munitiezijn van overeenkomstige toepassing op het vervoer van de betreffende wapens. Het vervoer is slechts toegestaan voor zo ver het betreft vervoer van en naar een schietbaan of defensieterrein in het kader van schietwedstrijden- of trainingen.
5. De toestemming, bedoeld in het derde lid, kan op ieder moment worden ingetrokken. Van een verleende toestemming tot opslag buiten defensieterreinen wordt mededeling gedaan aan de Koninklijke marechaussee en de Nationale politie.