BWBR0047891
Geldig vanaf 2023-02-21
Artikel 4
Regeling specifieke uitkering transitievergoeding regionale OV-concessies 2023
1. De specifieke uitkering wordt berekend door de kosten te verminderen met de opbrengsten, waarbij de uitkering niet hoger wordt vastgesteld dan het in het tweede lid vermelde maximale bedrag.
2. Het maximale bedrag van deze specifieke uitkering bedraagt twee derde van het bedrag dat als volgt wordt berekend: 93% van de referentiekosten van een concessie, minus de referentieopbrengsten van een concessie.
3. Indien voor een concessie in het jaar 2019 een zuivere winstmarge van 2% of minder is gerealiseerd, wordt bij de berekening bedoeld in het tweede lid uitgegaan van 95% in plaats van 93% van de referentiekosten. Indien een concessie op of later dan 1 januari 2019 in werking is getreden, is de zuivere winstmarge van de meest actuele begroting waaraan de referentiekosten en -opbrengsten zijn ontleend, de toetssteen.
4. Indien een concessie in werking is getreden na 1 januari 2019, worden bij de berekening in het tweede lid, in plaats van de referentiekosten en referentieopbrengsten, de kosten en opbrengsten van de meest actuele begroting van die concessie gebruikt. Indien noodzakelijk worden deze kosten en opbrengsten geïndexeerd naar het prijspeil van het jaar 2023. In de meest actuele begroting wordt geen rekening gehouden met de gevolgen van COVID-19 of het bestaan van deze specifieke uitkering.
5. Indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend over de subsidiabele periode een positief resultaat is behaald, wordt het meerdere boven nul in mindering gebracht op de specifieke uitkering.
2. Het maximale bedrag van deze specifieke uitkering bedraagt twee derde van het bedrag dat als volgt wordt berekend: 93% van de referentiekosten van een concessie, minus de referentieopbrengsten van een concessie.
3. Indien voor een concessie in het jaar 2019 een zuivere winstmarge van 2% of minder is gerealiseerd, wordt bij de berekening bedoeld in het tweede lid uitgegaan van 95% in plaats van 93% van de referentiekosten. Indien een concessie op of later dan 1 januari 2019 in werking is getreden, is de zuivere winstmarge van de meest actuele begroting waaraan de referentiekosten en -opbrengsten zijn ontleend, de toetssteen.
4. Indien een concessie in werking is getreden na 1 januari 2019, worden bij de berekening in het tweede lid, in plaats van de referentiekosten en referentieopbrengsten, de kosten en opbrengsten van de meest actuele begroting van die concessie gebruikt. Indien noodzakelijk worden deze kosten en opbrengsten geïndexeerd naar het prijspeil van het jaar 2023. In de meest actuele begroting wordt geen rekening gehouden met de gevolgen van COVID-19 of het bestaan van deze specifieke uitkering.
5. Indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend over de subsidiabele periode een positief resultaat is behaald, wordt het meerdere boven nul in mindering gebracht op de specifieke uitkering.