BWBR0047474
Geldig vanaf 2022-11-17
Artikel 7
Regeling specifieke uitkering onderwijsroute
1. De Minister stelt de terugvordering vast op basis van de verantwoorde bestedingen en baten van een gemeente in sisa. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet bestede deel door de Minister teruggevorderd, tenzij de reserveringsregeling, bedoeld in artikel 8, van toepassing is.
2. De Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering, bedoeld in het eerste lid, aan het college.
3. De bestedingen worden bij de vaststelling buiten aanmerking gelaten indien deze blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt.
4. Bij de vaststelling wordt uitgegaan van de gegevens waarvan de Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van de Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
5. Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen, stelt de Minister de specifieke uitkering ambtshalve vast.
2. De Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering, bedoeld in het eerste lid, aan het college.
3. De bestedingen worden bij de vaststelling buiten aanmerking gelaten indien deze blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt.
4. Bij de vaststelling wordt uitgegaan van de gegevens waarvan de Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van de Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
5. Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen, stelt de Minister de specifieke uitkering ambtshalve vast.