BWBR0046970
Geldig vanaf 2022-07-27
Artikel 4
Regeling periodiek evaluatieonderzoek 2022
1. De met het evaluatieonderzoek verkregen inzichten op een (beleids)thema worden, overeenkomstig de looptijd van de agendering van het (beleids)thema op de SEA bedoeld in artikel 2, ten minste eens in de vier tot zeven jaar samengebracht in een periodieke rapportage. De periodieke rapportage wordt uiterlijk in het laatste jaar van de vooraf vastgestelde periode voor het thema afgerond.
2. De beleidsagenda van de begroting behelst een overzicht van geplande periodieke rapportages en het jaarverslag behelst een overzicht van uitgevoerde periodieke rapportages onder vermelding van het jaar van uitvoering.
3. De Minister informeert de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de onderzoeksopzet van de periodieke rapportage. De onderzoeksopzet wordt ten minste één jaar voor het rapporteren over de periodieke rapportage aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten- Generaal.
4. De eisen gesteld onder artikel 3zijn onverminderd op de periodieke rapportage van toepassing.
5. Een periodieke rapportage over een (beleids)thema bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een omschrijving van de bij aanvang van de looptijd van het (beleids)thema op de SEA vastgestelde inzichtbehoefte en een samenvatting van de reeds bestaande inzichten;
b. een overzicht van het uitgevoerde evaluatieonderzoek naar (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid waarmee invulling is gegeven aan de inzichtbehoefte;
c. een meerjarig overzicht van de relevante uitgaven op de rijksbegroting en, indien van toepassing, een indicatie van de financiële gevolgen van het beleid voor de maatschappij;
d. een meerjarige beschrijving van de ontwikkeling van de gehanteerde beleidstheorie, het ingezette beleidsinstrumentarium en de uitvoering van het beleid;
e. een overzicht van de uit individuele evaluaties verkregen inzichten in de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van de ingezette beleidsinstrumenten en daarmee samenhangende uitgaven;
f. een onderbouwde beoordeling van de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenhangende beleidsinstrumenten en daarmee samenhangende uitgaven;
g. inzicht in oorzaken voor de mate van gerealiseerde doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenhangende beleidsinstrumenten van het beleid;
h. lessen voor het vergroten van de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. Daarbij worden mogelijkheden beschreven voor het vergroten van doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid bij een gelijkblijvende inzet van financiële middelen. Ook wordt ten minste één doelmatige optie geschetst waarmee een besparing van 20% op de budgettaire grondslag van het (beleids)thema kan worden gerealiseerd. Wanneer 20% onmogelijk wordt geacht, kan op voorwaarde van een goede inhoudelijke argumentatie, gekozen worden voor een alternatief percentage dat recht doet aan een voor het beleidsterrein significante besparing;
i. de belangrijkste resterende kennis- en inzichtlacunes met het oog op verdere verbetering in het inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het (beleids)thema;
j. een beschrijving van de wijze waarop de onafhankelijkheid van de periodieke rapportage is geborgd.
6. Bij de periodieke rapportage wordt ten minste één methodologische en/of beleidsinhoudelijk onafhankelijk deskundige betrokken. De deskundige geeft een onafhankelijk oordeel over de validiteit en betrouwbaarheid van de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek.
7. De Minister zendt de periodieke rapportage aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het oordeel van de onafhankelijke deskundige(n) over de validiteit en betrouwbaarheid van de bevindingen van de periodieke rapportage wordt als apart herkenbaar onderdeel met de rapportage meegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
2. De beleidsagenda van de begroting behelst een overzicht van geplande periodieke rapportages en het jaarverslag behelst een overzicht van uitgevoerde periodieke rapportages onder vermelding van het jaar van uitvoering.
3. De Minister informeert de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de onderzoeksopzet van de periodieke rapportage. De onderzoeksopzet wordt ten minste één jaar voor het rapporteren over de periodieke rapportage aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten- Generaal.
4. De eisen gesteld onder artikel 3zijn onverminderd op de periodieke rapportage van toepassing.
5. Een periodieke rapportage over een (beleids)thema bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een omschrijving van de bij aanvang van de looptijd van het (beleids)thema op de SEA vastgestelde inzichtbehoefte en een samenvatting van de reeds bestaande inzichten;
b. een overzicht van het uitgevoerde evaluatieonderzoek naar (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid waarmee invulling is gegeven aan de inzichtbehoefte;
c. een meerjarig overzicht van de relevante uitgaven op de rijksbegroting en, indien van toepassing, een indicatie van de financiële gevolgen van het beleid voor de maatschappij;
d. een meerjarige beschrijving van de ontwikkeling van de gehanteerde beleidstheorie, het ingezette beleidsinstrumentarium en de uitvoering van het beleid;
e. een overzicht van de uit individuele evaluaties verkregen inzichten in de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van de ingezette beleidsinstrumenten en daarmee samenhangende uitgaven;
f. een onderbouwde beoordeling van de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenhangende beleidsinstrumenten en daarmee samenhangende uitgaven;
g. inzicht in oorzaken voor de mate van gerealiseerde doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenhangende beleidsinstrumenten van het beleid;
h. lessen voor het vergroten van de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. Daarbij worden mogelijkheden beschreven voor het vergroten van doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid bij een gelijkblijvende inzet van financiële middelen. Ook wordt ten minste één doelmatige optie geschetst waarmee een besparing van 20% op de budgettaire grondslag van het (beleids)thema kan worden gerealiseerd. Wanneer 20% onmogelijk wordt geacht, kan op voorwaarde van een goede inhoudelijke argumentatie, gekozen worden voor een alternatief percentage dat recht doet aan een voor het beleidsterrein significante besparing;
i. de belangrijkste resterende kennis- en inzichtlacunes met het oog op verdere verbetering in het inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het (beleids)thema;
j. een beschrijving van de wijze waarop de onafhankelijkheid van de periodieke rapportage is geborgd.
6. Bij de periodieke rapportage wordt ten minste één methodologische en/of beleidsinhoudelijk onafhankelijk deskundige betrokken. De deskundige geeft een onafhankelijk oordeel over de validiteit en betrouwbaarheid van de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek.
7. De Minister zendt de periodieke rapportage aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het oordeel van de onafhankelijke deskundige(n) over de validiteit en betrouwbaarheid van de bevindingen van de periodieke rapportage wordt als apart herkenbaar onderdeel met de rapportage meegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.