BWBR0046969
Geldig vanaf 2022-07-27
Artikel 6
Mandaatbesluit Raad voor de Kinderbescherming 2022
1. Directieleden zijn bevoegd om de Raad voor de Kinderbescherming c.q. de minister te vertegenwoordigen in bestuursrechtelijke procedures. Zij zijn bevoegd (te beslissen) tot het instellen van hoger beroep in de desbetreffende procedures en de daartoe benodigde handelingen te verrichten.
2. Juridisch deskundigen en juridisch adviseurs werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming zijn gemachtigd tot het opstellen en namens de minister indienen van verweerschriften en (hoger) beroepschriften in bestuursrechtelijke procedures en de Raad voor de Kinderbescherming c.q. de minister in bestuursrechtelijke procedures te vertegenwoordigen.
3. Directieleden zijn bevoegd om ook andere, één hiërarchisch niveau onder hen ressorterende, medewerkers schriftelijk te machtigen om de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bevoegdheden uit te oefenen.
4. Kernfunctionarissen, juridisch deskundigen en juridisch adviseurs zijn gemachtigd om de Raad voor de Kinderbescherming te vertegenwoordigen op zittingen in civiele procedures en strafprocedures. De gemachtigde is bevoegd om zich te laten vergezellen door andere raadsmedewerkers indien dat naar het oordeel van de gemachtigde wenselijk is met het oog op een goede voorlichting over het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming. Bij gebruik van de machtiging verzoekt de gemachtigde om schorsing of aanhouding van de zitting met het oog op overleg met (andere) raadsmedewerker(s) in gevallen waarin de gemachtigde dat nodig oordeelt naar aanleiding van het verloop van de zitting en/of het daar verhandelde.
5. De bevoegdheid om te beslissen tot het instellen van hoger beroep, respectievelijk beroep in cassatie in de in het vierde lid, bedoelde civiele procedures wordt uitgeoefend door directieleden.
2. Juridisch deskundigen en juridisch adviseurs werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming zijn gemachtigd tot het opstellen en namens de minister indienen van verweerschriften en (hoger) beroepschriften in bestuursrechtelijke procedures en de Raad voor de Kinderbescherming c.q. de minister in bestuursrechtelijke procedures te vertegenwoordigen.
3. Directieleden zijn bevoegd om ook andere, één hiërarchisch niveau onder hen ressorterende, medewerkers schriftelijk te machtigen om de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bevoegdheden uit te oefenen.
4. Kernfunctionarissen, juridisch deskundigen en juridisch adviseurs zijn gemachtigd om de Raad voor de Kinderbescherming te vertegenwoordigen op zittingen in civiele procedures en strafprocedures. De gemachtigde is bevoegd om zich te laten vergezellen door andere raadsmedewerkers indien dat naar het oordeel van de gemachtigde wenselijk is met het oog op een goede voorlichting over het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming. Bij gebruik van de machtiging verzoekt de gemachtigde om schorsing of aanhouding van de zitting met het oog op overleg met (andere) raadsmedewerker(s) in gevallen waarin de gemachtigde dat nodig oordeelt naar aanleiding van het verloop van de zitting en/of het daar verhandelde.
5. De bevoegdheid om te beslissen tot het instellen van hoger beroep, respectievelijk beroep in cassatie in de in het vierde lid, bedoelde civiele procedures wordt uitgeoefend door directieleden.