1. De voorzitter en de andere leden nemen op persoonlijke titel deel aan de commissie en oefenen hun adviesfunctie onafhankelijk uit.
2. Zowel de commissie als geheel als ieder individueel lid vermijdt de invloed van persoonlijke belangen bij de uitvoering van de taak, bedoeld in
artikel 9, tweede lid, van de weten waakt tegen belangenverstrengeling en de schijn daarvan.
3. Ieder belang van een lid dat niet behoort tot de belangen die de commissie uit hoofde van de taak, bedoeld in
artikel 9, tweede lid, van de wetbehoort te behartigen is een persoonlijk belang.
4. Persoonlijke belangen zijn in ieder geval:
a. familie- en privébelangen;
b. professionele en zakelijke belangen;
c. financiële en economische belangen;
d. markt- en sectorgerelateerde belangen;
e. belangen uit hoofde van nevenfuncties.
5. De commissie stelt een reglement op met betrekking tot de omgang met de persoonlijke belangen van de voorzitter en de andere leden van de commissie en maakt dit openbaar.
6. Het reglement bevat in ieder geval regels over:
a. omgang met persoonlijke belangen die deelname aan advisering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, geheel of gedeeltelijk uitsluiten;
b. beheersmaatregelen voor de voorzitter en de leden van commissie over de omgang met persoonlijke belangen;
c. transparantie omtrent de omgang met persoonlijke belangen door de voorzitter en de leden van de commissie.
7. Bij de benoeming van een lid van de commissie kunnen nadere voorwaarden worden verbonden aan deelname aan de besluitvorming van de commissie, indien de aard van de maatschappelijke positie van het lid hiertoe aanleiding geeft.