1. Er is een Adviescommissie Nationaal Groeifonds.
2. De commissie heeft tot taak:
a. de ministers op hun verzoek te adviseren of een voorstel met een omvang van ten minste 30 miljoen euro van een minister die het aangaat dat gericht is op het verkrijgen van budget voor het doen van investeringen op het gebied van (1) infrastructuur, (2) innovatie en research and development of (3) kennisontwikkeling additioneel is aan private investeringen, niet-structureel van aard is en voldoet aan het beginsel van subsidiariteit in relatie tot financieringsmogelijkheden die decentrale overheden kunnen bieden;
b. de ministers op hun verzoek te adviseren over de beoordeling van voorstellen als bedoeld onder a, op grond van: 1°. het effect van een voorstel op het verdienvermogen van Nederland op lange termijn, gemeten naar het geschatte effect daarvan op het structureel bruto binnenlands product van Nederland in verhouding tot de met het voorstel beoogde investeringsomvang;
2°. de financiële kosten tot realisering van een voorstel;
3°. de aan een voorstel verbonden maatschappelijke baten en lasten, waaronder het bereiken van duurzame economische groei;
1°. het effect van een voorstel op het verdienvermogen van Nederland op lange termijn, gemeten naar het geschatte effect daarvan op het structureel bruto binnenlands product van Nederland in verhouding tot de met het voorstel beoogde investeringsomvang;
2°. de financiële kosten tot realisering van een voorstel;
3°. de aan een voorstel verbonden maatschappelijke baten en lasten, waaronder het bereiken van duurzame economische groei;
c. de ministers bij de advisering, bedoeld onder b, tevens te adviseren over een evenwichtige verdeling van de voorstellen over de gebieden, bedoeld in onderdeel a, gelet op de verdeling van in eerdere jaren toegekende voorstellen over die gebieden;
d. de ministers jaarlijks een overzicht te verstrekken waaruit blijkt hoe de kwaliteit is en de voortgang verloopt van de uitvoering van alle toegekende voorstellen waarover is geadviseerd.
3. Bij de uitvoering van de beoordelingstaak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b:
a. beperkt de commissie zich in de advisering tot voorstellen die volgens het advies, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voldoen aan de criteria, bedoeld in dat onderdeel;
b. beschouwt de commissie bij een beoordeling het criterium, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, als leidend ten opzichte van het gewicht dat aan de criteria, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, onder 2° en 3°, wordt toegekend;
c. voert de commissie een integrale afweging tussen voorstellen uit waarbij een rangorde tussen die voorstellen wordt aangebracht.
4. Bij de toepassing van het criterium, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, kan de commissie over meerdere jaren bezien een redelijke spreiding van investeringen over verschillende regio’s van het land meewegen.
5. De commissie brengt een advies uit binnen een door de ministers bij het verzoek opgegeven redelijke termijn en kan in overeenstemming met de ministers van die termijn afwijken.