BWBR0046932
Geldig vanaf 2022-07-19
Artikel 5
Meerjarige regeling specifieke uitkeringen voor huisvesting aandachtsgroepen
1. De minister stelt een rangschikking op van de binnengekomen volledige aanvragen voor woonruimten voor studentenhuisvesting en behandelt de aanvragen volgens die rangschikking.
2. De rangschikking van aanvragen voor uitwonende studenten vindt plaats aan de hand van de volgende criteria, in volgorde van toekenning:
a. een aanvraag met uitsluitend onzelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting;
b. een aanvraag met onzelfstandige en zelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting waarvan ten minste 25% van de woonruimten uit onzelfstandige woonruimten bestaat;
c. een aanvraag met minder dan 25% en meer dan 0% onzelfstandige woonruimten voor studenten;
d. een aanvraag met zelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting waarvan ten minste 25% van de woonruimten toegang heeft tot een gemeenschappelijke ruimte;
e. een aanvraag met uitsluitend zelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting.
3. Indien het plafond, bedoeld in artikel 3, is bereikt en meerdere aanvragen op basis van de criteria, bedoeld in het tweede lid, in aanmerking komen voor de subsidie, stelt de minister de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.
4. De minister behandelt de binnengekomen aanvragen voor woonruimten voor dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, statushouders, mensen die uitstromen uit een intramurale situatie, arbeidsmigranten, ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en woonwagenbewoners op volgorde van binnenkomst. Een aanvraag geldt als binnengekomen op het moment dat de aanvraag, bedoeld in artikel 4, volledig is binnengekomen. Indien de minister op het tijdstip dat het plafond, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt de minister de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.
2. De rangschikking van aanvragen voor uitwonende studenten vindt plaats aan de hand van de volgende criteria, in volgorde van toekenning:
a. een aanvraag met uitsluitend onzelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting;
b. een aanvraag met onzelfstandige en zelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting waarvan ten minste 25% van de woonruimten uit onzelfstandige woonruimten bestaat;
c. een aanvraag met minder dan 25% en meer dan 0% onzelfstandige woonruimten voor studenten;
d. een aanvraag met zelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting waarvan ten minste 25% van de woonruimten toegang heeft tot een gemeenschappelijke ruimte;
e. een aanvraag met uitsluitend zelfstandige woonruimten voor studentenhuisvesting.
3. Indien het plafond, bedoeld in artikel 3, is bereikt en meerdere aanvragen op basis van de criteria, bedoeld in het tweede lid, in aanmerking komen voor de subsidie, stelt de minister de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.
4. De minister behandelt de binnengekomen aanvragen voor woonruimten voor dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, statushouders, mensen die uitstromen uit een intramurale situatie, arbeidsmigranten, ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en woonwagenbewoners op volgorde van binnenkomst. Een aanvraag geldt als binnengekomen op het moment dat de aanvraag, bedoeld in artikel 4, volledig is binnengekomen. Indien de minister op het tijdstip dat het plafond, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt de minister de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.