BWBR0046881
Geldig vanaf 2022-07-12
Artikel 6
Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing
1. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend aan de in het projectplan opgenomen activiteiten en in de jaren 2022 tot en met 2026 wordt besteed.
2. De omgevingsdienst besteedt minimaal 70% van de verstrekte specifieke uitkering aan de activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, onderdeel A.
3. In aanvulling op het tweede lid draagt de omgevingsdienst er zorg voor dat er door besteding van de specifieke uitkering in de periode waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt:
a. één extra fte voor toezicht en handhaving energiebesparingsplicht en informatieplicht wordt aangetrokken; en
b. de werkzaamheden van deze extra fte voor tenminste 90% worden besteed aan de in bijlage 1, onderdeel A, genoemde activiteiten.
4. Indien het jaarlijkse bedrag zoals opgenomen in bijlage 2, voor de omgevingsdienst minder bedraagt dan € 140.000,–, kan de omgevingsdienst in afwijking van het derde lid, onder a, volstaan met het aantrekken van 0,5 fte voor toezicht en handhaving energiebesparingsplicht en informatieplicht.
5. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat in de jaren 2023 tot en met 2026 jaarlijks minimaal 40% van de uitgekeerde middelen worden besteed.
6. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de werkzaamheden van de extra fte, bedoeld in het derde lid, of van de 0,5 extra fte, bedoeld in het vierde lid, en de in het projectplan opgenomen activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A en B1niet door derden worden uitgevoerd of ingevuld.
7. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de in het projectplan opgenomen activiteiten uiterlijk op 31 december 2026 zijn afgerond.
8. De omgevingsdienst werkt gedurende de looptijd van de specifieke uitkering jaarlijks, met startdatum 1 oktober 2023, de onderdelen van het projectplan, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder b, c, d en ebij.
2. De omgevingsdienst besteedt minimaal 70% van de verstrekte specifieke uitkering aan de activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, onderdeel A.
3. In aanvulling op het tweede lid draagt de omgevingsdienst er zorg voor dat er door besteding van de specifieke uitkering in de periode waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt:
a. één extra fte voor toezicht en handhaving energiebesparingsplicht en informatieplicht wordt aangetrokken; en
b. de werkzaamheden van deze extra fte voor tenminste 90% worden besteed aan de in bijlage 1, onderdeel A, genoemde activiteiten.
4. Indien het jaarlijkse bedrag zoals opgenomen in bijlage 2, voor de omgevingsdienst minder bedraagt dan € 140.000,–, kan de omgevingsdienst in afwijking van het derde lid, onder a, volstaan met het aantrekken van 0,5 fte voor toezicht en handhaving energiebesparingsplicht en informatieplicht.
5. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat in de jaren 2023 tot en met 2026 jaarlijks minimaal 40% van de uitgekeerde middelen worden besteed.
6. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de werkzaamheden van de extra fte, bedoeld in het derde lid, of van de 0,5 extra fte, bedoeld in het vierde lid, en de in het projectplan opgenomen activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A en B1niet door derden worden uitgevoerd of ingevuld.
7. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de in het projectplan opgenomen activiteiten uiterlijk op 31 december 2026 zijn afgerond.
8. De omgevingsdienst werkt gedurende de looptijd van de specifieke uitkering jaarlijks, met startdatum 1 oktober 2023, de onderdelen van het projectplan, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder b, c, d en ebij.