BWBR0046827
Geldig vanaf 2022-07-01
Artikel 6
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2022
1. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan het doel, bedoeld in artikel 3.
2. De ontvanger handhaaft de vaste exploitatiebijdrage voor 2022 aan de concessiehouder op het niveau van 2021, dan wel van het geplande niveau van 2022 dat was vastgesteld vóór het begin van de beperkende maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt en wordt niet gecorrigeerd voor daadwerkelijke productie.
3. Indien de ontvanger een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener is, handhaaft de ontvanger de exploitatiebijdrage van 2019, op het prijspeil van 2022. Indien de concessie op of later dan 1 januari 2019 in werking is getreden, handhaaft de ontvanger de exploitatiebijdrage van het eerste jaar van de inwerkingtreding van de concessie, op het prijspeil van 2022.
4. De ontvanger wijzigt, voor zover noodzakelijk, de vervoersconcessie om de uitkering van de beschikbaarheidsvergoeding mogelijk te maken.
5. De ontvanger verstrekt de beschikbaarheidsvergoeding onder de volgende voorwaarden:
a. de concessiehouder voert in de subsidiabele periode een met de ontvanger overeengekomen dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer. Er is sprake van een passend voorzieningenniveau met een minimaal vergelijkbare omvang als in dezelfde periode van 2021. Deze voorwaarde kent een uitzondering indien in de subsidiabele periode met betrekking tot het beleid ter voorkoming van de verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt sprake is van beperkende maatregelen voor het gebruik van het openbaar vervoer die leiden tot minder reizigers dan in dezelfde periode van 2021;
b. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding met een controleverklaring, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, derde lid, een verklaring dat in 2019, dan wel in de meest actuele begroting, een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder;
c. bij de beoordeling van een verzoek aan de Informatiehuishouding OV-Informatie door of namens de Minister, zal de concessiehouder niet toetsen op bedrijfsvertrouwelijkheid;
d. het bepaalde in het zesde tot en met het twaalfde lid.
6. Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien in of naar aanleiding van het jaar 2022:
a. bonussen worden verstrekt aan raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland en deel uitmaakt van de groep waar het vervoerbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling heeft geen betrekking op uitkeringen van: i. een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of
ii. een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken;
i. een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of
ii. een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken;
c. een ontslagvergoeding wordt verstrekt aan de raad van bestuur binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van concessies voor het openbaar vervoer in Nederland die de norm overschrijdt van maximaal één jaarsalaris en een opzegtermijn van maximaal zes maanden.
7. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2022 kopen de concessiehouder, zijn raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
8. Voor zover deze betrekking heeft op bedrijfsactiviteiten waarvoor de beschikbaarheidsvergoeding wordt toegekend, is geen vergoeding ontvangen uit het steun- en herstelpakket voor banen en economie, dan wel wordt de ontvangen vergoeding terugbetaald aan het Rijk.
9. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2022.
10. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2021 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
11. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
12. De ontvanger en de concessiehouder verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.
2. De ontvanger handhaaft de vaste exploitatiebijdrage voor 2022 aan de concessiehouder op het niveau van 2021, dan wel van het geplande niveau van 2022 dat was vastgesteld vóór het begin van de beperkende maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt en wordt niet gecorrigeerd voor daadwerkelijke productie.
3. Indien de ontvanger een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener is, handhaaft de ontvanger de exploitatiebijdrage van 2019, op het prijspeil van 2022. Indien de concessie op of later dan 1 januari 2019 in werking is getreden, handhaaft de ontvanger de exploitatiebijdrage van het eerste jaar van de inwerkingtreding van de concessie, op het prijspeil van 2022.
4. De ontvanger wijzigt, voor zover noodzakelijk, de vervoersconcessie om de uitkering van de beschikbaarheidsvergoeding mogelijk te maken.
5. De ontvanger verstrekt de beschikbaarheidsvergoeding onder de volgende voorwaarden:
a. de concessiehouder voert in de subsidiabele periode een met de ontvanger overeengekomen dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer. Er is sprake van een passend voorzieningenniveau met een minimaal vergelijkbare omvang als in dezelfde periode van 2021. Deze voorwaarde kent een uitzondering indien in de subsidiabele periode met betrekking tot het beleid ter voorkoming van de verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt sprake is van beperkende maatregelen voor het gebruik van het openbaar vervoer die leiden tot minder reizigers dan in dezelfde periode van 2021;
b. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding met een controleverklaring, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, derde lid, een verklaring dat in 2019, dan wel in de meest actuele begroting, een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder;
c. bij de beoordeling van een verzoek aan de Informatiehuishouding OV-Informatie door of namens de Minister, zal de concessiehouder niet toetsen op bedrijfsvertrouwelijkheid;
d. het bepaalde in het zesde tot en met het twaalfde lid.
6. Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien in of naar aanleiding van het jaar 2022:
a. bonussen worden verstrekt aan raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland en deel uitmaakt van de groep waar het vervoerbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling heeft geen betrekking op uitkeringen van: i. een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of
ii. een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken;
i. een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of
ii. een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken;
c. een ontslagvergoeding wordt verstrekt aan de raad van bestuur binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van concessies voor het openbaar vervoer in Nederland die de norm overschrijdt van maximaal één jaarsalaris en een opzegtermijn van maximaal zes maanden.
7. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2022 kopen de concessiehouder, zijn raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
8. Voor zover deze betrekking heeft op bedrijfsactiviteiten waarvoor de beschikbaarheidsvergoeding wordt toegekend, is geen vergoeding ontvangen uit het steun- en herstelpakket voor banen en economie, dan wel wordt de ontvangen vergoeding terugbetaald aan het Rijk.
9. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2022.
10. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2021 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
11. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
12. De ontvanger en de concessiehouder verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.