BWBR0046732
Geldig vanaf 2022-06-04
Artikel 5
Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne
1. Op aanvraag verstrekt en betaalt de minister in 2022 aan gemeenten een voorschot van 100% van het aantal opvangplekken voor ontheemden dat een gemeente in een boekjaar verwacht te realiseren maal het normbedrag, de werkelijke transitiekosten en de verwachte kosten volgend uit artikel 2, eerste lid, onderdeel b. Daarop wordt in mindering gebracht het bedrag dat de gemeente in het betreffende boekjaar verwacht te ontvangen op grond van de artikelen 7, vierde liden 8 van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne.
2. De aanvraag voor een voorschot, bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente voor 1 november van het betreffende boekjaar indienen bij de minister.
3. In het geval, bedoeld in artikel 4, wordt in het eerste lid de zinsnede ‘in 2022’ gelezen als ‘in het jaar van besteding van de uitkering’.
4. In afwijking van het tweede lid kan de minister een aanvraag voor een voorschot ingediend na 1 november van het betreffende boekjaar, maar vóór 1 mei van het daarop volgende boekjaar, in behandeling nemen, indien er sprake is van:
a. een onverwacht hoge toestroom van ontheemden na 1 november van het betreffende boekjaar;
b. een stagnatie of afname van het aantal opvangplekken ten opzichte van het aantal ontheemden dat een opvangplek nodig heeft; of
c. een andere aantoonbare reden waarom de kosten door de gemeente niet konden worden voorzien.
5. De aanvraag, bedoeld in het vierde lid, wordt alleen in behandeling genomen indien:
a. de landelijke bezettingsgraad van het aantal gerealiseerde opvangplekken boven de 95% ligt, waardoor de urgentie om nieuwe opvangplekken te realiseren groot is;
b. de kosten zijn of worden gemaakt in het betreffende boekjaar.
2. De aanvraag voor een voorschot, bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente voor 1 november van het betreffende boekjaar indienen bij de minister.
3. In het geval, bedoeld in artikel 4, wordt in het eerste lid de zinsnede ‘in 2022’ gelezen als ‘in het jaar van besteding van de uitkering’.
4. In afwijking van het tweede lid kan de minister een aanvraag voor een voorschot ingediend na 1 november van het betreffende boekjaar, maar vóór 1 mei van het daarop volgende boekjaar, in behandeling nemen, indien er sprake is van:
a. een onverwacht hoge toestroom van ontheemden na 1 november van het betreffende boekjaar;
b. een stagnatie of afname van het aantal opvangplekken ten opzichte van het aantal ontheemden dat een opvangplek nodig heeft; of
c. een andere aantoonbare reden waarom de kosten door de gemeente niet konden worden voorzien.
5. De aanvraag, bedoeld in het vierde lid, wordt alleen in behandeling genomen indien:
a. de landelijke bezettingsgraad van het aantal gerealiseerde opvangplekken boven de 95% ligt, waardoor de urgentie om nieuwe opvangplekken te realiseren groot is;
b. de kosten zijn of worden gemaakt in het betreffende boekjaar.