BWBR0046687
Geldig vanaf 2022-05-24
Artikel 18
Tijdelijke regeling specifieke uitkeringen intelligente verkeersregelinstallaties
1. De minister kan de vaststelling van de specifieke uitkering intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten en omstandigheden waarvan hij bij de vaststelling van de specifieke uitkering redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de specifieke uitkering lager dan overeenkomstig de verlening van de specifieke uitkering zou zijn vastgesteld;
b. indien de vaststelling van de specifieke uitkering onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de ontvanger na de vaststelling van de specifieke uitkering niet heeft voldaan aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de specifieke uitkering is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
3. De vaststelling van de specifieke uitkering kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sinds de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.
a. op grond van feiten en omstandigheden waarvan hij bij de vaststelling van de specifieke uitkering redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de specifieke uitkering lager dan overeenkomstig de verlening van de specifieke uitkering zou zijn vastgesteld;
b. indien de vaststelling van de specifieke uitkering onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de ontvanger na de vaststelling van de specifieke uitkering niet heeft voldaan aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de specifieke uitkering is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
3. De vaststelling van de specifieke uitkering kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sinds de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.