1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. asielzoeker: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, die: – ingeschreven staat op een basisschool;
– in het bezit is gesteld of van wie ten minste één van de ouders of voogden in het bezit is gesteld: 1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet; en
1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet; en
– nog geen jaar woonachtig is in Nederland.
– ingeschreven staat op een basisschool;
– in het bezit is gesteld of van wie ten minste één van de ouders of voogden in het bezit is gesteld: 1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet; en
1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet; en
– nog geen jaar woonachtig is in Nederland.
b. overige vreemdeling: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, niet zijnde een asielzoeker, die: – ingeschreven staat op een basisschool;
– in het bezit is gesteld of van wie ten minste één van de ouders of voogden in het bezit is gesteld: 1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of
2°. van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; en
1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of
2°. van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; en
– nog geen jaar woonachtig is in Nederland.
– ingeschreven staat op een basisschool;
– in het bezit is gesteld of van wie ten minste één van de ouders of voogden in het bezit is gesteld: 1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of
2°. van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; en
1°. door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of
2°. van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling onderscheidenlijk een of beide ouders of voogden burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; en
– nog geen jaar woonachtig is in Nederland.
2. Het bevoegd gezag van een basisschool waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor ten minste 4 asielzoekers en/of overige vreemdelingen, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.
3. De bijzondere en de aanvullende bekostiging, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op een periode van drie maanden, respectievelijk twee maanden, met als peildata:
a. de eerste schooldag voor de periode augustus tot en met oktober;
b. 1 november voor de periode november tot en met december.
4. Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de bijzondere en de aanvullende bekostiging een aanvraag in, die indien de peildatum de eerste schooldag betreft, door DUO moet zijn ontvangen voor 30 september 2022 en indien de peildatum 1 november betreft, binnen vier weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.
5. Een basisschool die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen verzorgde, komt in aanmerking voor een eenmalige aanvulling op de bijzondere bekostiging van € 13.071,00.
6. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nlen gaat vergezeld van de volgende gegevens:
a. naam, instellingscode, postcode en plaats van de basisschool;
b. indien de peildatum de eerste schooldag betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de eerste schooldag, en het aantal asielzoekers en het aantal overige vreemdelingen dat op 1 oktober van het voorgaande schooljaar aan de basisschool stond ingeschreven of indien de peildatum 1 november betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de peildatum; en
c. in geval van toepassing van het vijfde lid, een verklaring dat de basisschool niet eerder de eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk de eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen heeft verzorgd.
7. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
8. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de volgende formules:
Indien de peildatum de eerste schooldag betreft;
• indien Ap groter is dan At: (Ap – At) x € 10.909,17 x 25,00%, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bekostiging WPO, zoals dat luidde op 31 maart 2022, aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor (Ap – At), een aftrek plaatsvindt van € 3.613,23 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 25,00% en verhoogd met At x € 3.309,04 + 90,18) x 25,00%;
• indien Ap niet groter is dan At: Ap x (€ 3.309,04 + 90,18) x 25,00%;
waarin:
Ap = het aantal op de eerste schooldag ingeschreven leerlingen dat asielzoeker of overige vreemdeling is;
At = het aantal op 1 oktober van het voorgaande schooljaar ingeschreven leerlingen dat op de eerste schooldag asielzoeker of overige vreemdeling is;
Indien de peildatum 1 november betreft:
Ap x € 10.909,17 x 16,67%, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in
artikel 29of
30 van het Besluit bekostiging WPO, zoals dat luidde op 31 maart 2022, aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor Ap, een aftrek plaatsvindt van € 3.613,23 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 16,67%;
waarin:
Ap = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat asielzoeker of overige vreemdeling is.