BWBR0046493
Geldig vanaf 13-04-2023
Artikel 1.6
Regeling Talentontwikkeling
1. Het Fonds verstrekt alleen subsidie als de aanvrager:
a. aantoont dat er een begrotingstekort is en dat ondersteuning door het Fonds nodig is;
b. de mogelijkheid onderzoekt van andere inkomsten dan de gevraagde subsidie, rekening houdend met de aard van het project of de activiteiten; en
c. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project of de activiteiten uit te voeren.
2. Alleen kosten die direct verband houden met de projecten of activiteiten komen in aanmerking voor subsidiëring.
3. Wat betreft de materiele investeringen geldt:
a. waar het aanvragers betreft zoals bedoeld in hoofdstuk 2: 1° aanvragers gevestigd in het Europees deel van Nederland kunnen maximaal 10% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen maximaal 20% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
1° aanvragers gevestigd in het Europees deel van Nederland kunnen maximaal 10% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen maximaal 20% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
b. waar het aanvragers betreft zoals bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4: 1° als het project wordt uitgevoerd in het Europees deel van Nederland kan maximaal 10% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° als het project wordt uitgevoerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kan maximaal 20% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
1° als het project wordt uitgevoerd in het Europees deel van Nederland kan maximaal 10% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° als het project wordt uitgevoerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kan maximaal 20% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
4. De post onvoorzien is maximaal 7% van de totale projectkosten.
5. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen de benodigde kosten voor het omwisselen van valuta voor het uitvoeren van het project opnemen in de subsidieaanvraag.
6. Hoofdstuk 2 en de daaropvolgende hoofdstukken kunnen voor de in dat hoofdstuk opgenomen subsidies aanvullende voorwaarden en beperkingen bevatten.
a. aantoont dat er een begrotingstekort is en dat ondersteuning door het Fonds nodig is;
b. de mogelijkheid onderzoekt van andere inkomsten dan de gevraagde subsidie, rekening houdend met de aard van het project of de activiteiten; en
c. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project of de activiteiten uit te voeren.
2. Alleen kosten die direct verband houden met de projecten of activiteiten komen in aanmerking voor subsidiëring.
3. Wat betreft de materiele investeringen geldt:
a. waar het aanvragers betreft zoals bedoeld in hoofdstuk 2: 1° aanvragers gevestigd in het Europees deel van Nederland kunnen maximaal 10% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen maximaal 20% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
1° aanvragers gevestigd in het Europees deel van Nederland kunnen maximaal 10% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen maximaal 20% van de totale projectkosten inzetten voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
b. waar het aanvragers betreft zoals bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4: 1° als het project wordt uitgevoerd in het Europees deel van Nederland kan maximaal 10% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° als het project wordt uitgevoerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kan maximaal 20% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
1° als het project wordt uitgevoerd in het Europees deel van Nederland kan maximaal 10% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
2° als het project wordt uitgevoerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kan maximaal 20% van de totale projectkosten worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.
4. De post onvoorzien is maximaal 7% van de totale projectkosten.
5. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen de benodigde kosten voor het omwisselen van valuta voor het uitvoeren van het project opnemen in de subsidieaanvraag.
6. Hoofdstuk 2 en de daaropvolgende hoofdstukken kunnen voor de in dat hoofdstuk opgenomen subsidies aanvullende voorwaarden en beperkingen bevatten.
- Citeren als
- Art. 1.6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0046493
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl