BWBR0046441
Geldig vanaf 2022-03-18
Artikel 4
Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen 2022–2023
Onverminderd de in artikel 11en 12 van het Kaderbesluitvermelde afwijzingsgronden, wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:
a. al een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor hetzelfde project;
b. de subsidieaanvraag niet of niet voldoende, is voorzien van de voor de aanvraag van belang zijnde stukken, die stukken duidelijk zijn, en de inhoudelijke en financiële aspecten helder en transparant onderbouwd zijn;
c. sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
e. indien de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor de subsidie van dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt; of
f. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
g. voor een project in de derde en vierde tenderronde niet minimaal een stikstofdepositiereductie van 0,03 mol/hectare/jaar/miljoen euro subsidie per project wordt behaald.
a. al een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor hetzelfde project;
b. de subsidieaanvraag niet of niet voldoende, is voorzien van de voor de aanvraag van belang zijnde stukken, die stukken duidelijk zijn, en de inhoudelijke en financiële aspecten helder en transparant onderbouwd zijn;
c. sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
e. indien de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor de subsidie van dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt; of
f. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
g. voor een project in de derde en vierde tenderronde niet minimaal een stikstofdepositiereductie van 0,03 mol/hectare/jaar/miljoen euro subsidie per project wordt behaald.