BWBR0046413
Geldig vanaf 2022-03-11
Artikel 7
Regeling verstrekking specifieke uitkering aan gemeenten voor de derde ronde proeftuinen van het programma aardgasvrije wijken
1. Het college legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3, op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, niet, niet volledig of onrechtmatig is besteed, dat niet is voldaan aan de verplichtingen gesteld op grond van artikel 5, eerste lid, of niet is voldaan aan de verantwoordingsplicht, bedoeld in het eerste lid, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, mededeling van de terugvordering aan het college.
3. De minister stelt de specifieke uitkering vast nadat het college, op de in het eerste lid bedoelde wijze, de eindverantwoording aan de minister heeft verstrekt.
4. Indien de uiterlijke datum voor het afronden van de activiteiten, bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, is verstreken en het college geen eindverantwoording heeft verstrekt, stelt de minister de specifieke uitkering vast aan de hand van de eerstvolgende verantwoordingsinformatie.
2. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, niet, niet volledig of onrechtmatig is besteed, dat niet is voldaan aan de verplichtingen gesteld op grond van artikel 5, eerste lid, of niet is voldaan aan de verantwoordingsplicht, bedoeld in het eerste lid, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, mededeling van de terugvordering aan het college.
3. De minister stelt de specifieke uitkering vast nadat het college, op de in het eerste lid bedoelde wijze, de eindverantwoording aan de minister heeft verstrekt.
4. Indien de uiterlijke datum voor het afronden van de activiteiten, bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, is verstreken en het college geen eindverantwoording heeft verstrekt, stelt de minister de specifieke uitkering vast aan de hand van de eerstvolgende verantwoordingsinformatie.