BWBR0046413
Geldig vanaf 2022-03-11
Artikel 5
Regeling verstrekking specifieke uitkering aan gemeenten voor de derde ronde proeftuinen van het programma aardgasvrije wijken
1. De gemeente die een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 3ontvangt is verplicht om:
a. de specifieke uitkering volledig te besteden uiterlijk op 31 december 2030 aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt;
b. bij te dragen aan activiteiten van het Kennis- en Leerprogramma van het Programma Aardgasvrije Wijken en de eventuele opvolgers daarvan; en
c. onverwijld een schriftelijke melding te doen bij de minister indien aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de verplichtingen in dit artikel zal worden voldaan of zich andere omstandigheden zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van de specifieke uitkering.
2. Indien de uitvoering van de activiteiten voor de datum, genoemd in het eerste lid, onder a, niet mogelijk is en dit niet aan de ontvanger is te wijten, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de ontvanger telkens met ten hoogste een jaar verlengen. Het verzoek tot verlenging wordt uiterlijk ingediend op 1 november van het kalenderjaar waarin de specifieke uitkering volledig dient te worden besteed.
3. De minister kan op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van het college besluiten om andere activiteiten toe te staan dan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, indien dat in het belang is van het doel van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2.
a. de specifieke uitkering volledig te besteden uiterlijk op 31 december 2030 aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt;
b. bij te dragen aan activiteiten van het Kennis- en Leerprogramma van het Programma Aardgasvrije Wijken en de eventuele opvolgers daarvan; en
c. onverwijld een schriftelijke melding te doen bij de minister indien aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de verplichtingen in dit artikel zal worden voldaan of zich andere omstandigheden zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van de specifieke uitkering.
2. Indien de uitvoering van de activiteiten voor de datum, genoemd in het eerste lid, onder a, niet mogelijk is en dit niet aan de ontvanger is te wijten, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de ontvanger telkens met ten hoogste een jaar verlengen. Het verzoek tot verlenging wordt uiterlijk ingediend op 1 november van het kalenderjaar waarin de specifieke uitkering volledig dient te worden besteed.
3. De minister kan op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van het college besluiten om andere activiteiten toe te staan dan de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, indien dat in het belang is van het doel van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2.