BWBR0046227
Geldig vanaf 26-04-2023
Artikel 1.6
Regeling Internationale Samenwerking 2022–2024
1. Het Fonds verstrekt alleen subsidie als de aanvrager:
a. aantoont dat er een begrotingstekort is en dat ondersteuning door het Fonds nodig is;
b. b de mogelijkheid van andere inkomsten dan de gevraagde subsidie onderzoekt, rekening houdend met de aard van het project of de activiteiten; en
c. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project of de activiteiten uit te voeren.
2. Het Fonds kan beperkingen verbinden aan de omvang van begrotingsposten, zoals aan de posten Onvoorzien en Materiële investeringen.
3. Alleen kosten die direct verband houden met de projecten of activiteiten komen in aanmerking voor subsidiëring.
4. Wat betreft de materiele investeringen geldt:
a. voor aanvragers gevestigd in het Europees deel van Nederland: maximaal 10% van de totale projectkosten kan worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
b. voor aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk: maximaal 20% van de totale projectkosten kan worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project
5. De post Onvoorzien mag maximaal 7% zijn van de totale projectkosten.
6. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen de kosten voor het omwisselen van valuta, voor zover dat nodig is voor het project, opnemen in de subsidieaanvraag.
a. aantoont dat er een begrotingstekort is en dat ondersteuning door het Fonds nodig is;
b. b de mogelijkheid van andere inkomsten dan de gevraagde subsidie onderzoekt, rekening houdend met de aard van het project of de activiteiten; en
c. aannemelijk maakt dat de financiële middelen, samen met de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project of de activiteiten uit te voeren.
2. Het Fonds kan beperkingen verbinden aan de omvang van begrotingsposten, zoals aan de posten Onvoorzien en Materiële investeringen.
3. Alleen kosten die direct verband houden met de projecten of activiteiten komen in aanmerking voor subsidiëring.
4. Wat betreft de materiele investeringen geldt:
a. voor aanvragers gevestigd in het Europees deel van Nederland: maximaal 10% van de totale projectkosten kan worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project;
b. voor aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk: maximaal 20% van de totale projectkosten kan worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project
5. De post Onvoorzien mag maximaal 7% zijn van de totale projectkosten.
6. Aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen de kosten voor het omwisselen van valuta, voor zover dat nodig is voor het project, opnemen in de subsidieaanvraag.
- Citeren als
- Art. 1.6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0046227
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl