BWBR0045164
Geldig vanaf 2021-05-27
Artikel 6
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2021
1. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan het doel, bedoeld in artikel 3.
2. De ontvanger handhaaft de vaste exploitatiebijdrage voor 2021 aan de concessiehouder op een niveau van een volledige, niet geoptimaliseerde dienstregeling.
3. Bij aanpassing van de vervoersconcessie door de ontvanger, geldt het volgende:
a. de concessiehouder voert in de subsidiabele periode een met de ontvanger overeengekomen dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer. Vervoerders optimaliseren de dienstregeling door het aanbod aan te passen aan de vraag, zonder dat de beschikbaarheid en veiligheid van het regionaal openbaar vervoer daar op termijn onder lijdt;
b. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding met een controleverklaring, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, derde lid, een verklaring dat in 2019 een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder;
c. bij de beoordeling van een verzoek aan de Informatiehuishouding OV-Informatie door of namens de Minister, zal de concessiehouder niet toetsen op bedrijfsvertrouwelijkheid;
d. het bepaalde in het vierde tot en met het tiende lid.
4. Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien in of naar aanleiding van het jaar 2021:
a. bonussen worden verstrekt aan raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit; of
b. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. een ontslagvergoeding wordt verstrekt aan de raad van bestuur binnen een Nederlandse entiteit die de norm overschrijdt van maximaal één jaarsalaris en een opzegtermijn van maximaal zes maanden.
5. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2021 kopen de concessiehouder, zijn raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
6. Voor zover deze betrekking heeft op bedrijfsactiviteiten waarvoor de beschikbaarheidsvergoeding wordt toegekend, is geen vergoeding ontvangen uit het steun- en herstelpakket voor banen en economie, dan wel wordt de ontvangen vergoeding terugbetaald aan het Rijk.
7. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2021.
8. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2020 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
9. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
10. De ontvanger en de concessiehouder verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.
2. De ontvanger handhaaft de vaste exploitatiebijdrage voor 2021 aan de concessiehouder op een niveau van een volledige, niet geoptimaliseerde dienstregeling.
3. Bij aanpassing van de vervoersconcessie door de ontvanger, geldt het volgende:
a. de concessiehouder voert in de subsidiabele periode een met de ontvanger overeengekomen dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer. Vervoerders optimaliseren de dienstregeling door het aanbod aan te passen aan de vraag, zonder dat de beschikbaarheid en veiligheid van het regionaal openbaar vervoer daar op termijn onder lijdt;
b. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding met een controleverklaring, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, derde lid, een verklaring dat in 2019 een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder;
c. bij de beoordeling van een verzoek aan de Informatiehuishouding OV-Informatie door of namens de Minister, zal de concessiehouder niet toetsen op bedrijfsvertrouwelijkheid;
d. het bepaalde in het vierde tot en met het tiende lid.
4. Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien in of naar aanleiding van het jaar 2021:
a. bonussen worden verstrekt aan raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit; of
b. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
c. een ontslagvergoeding wordt verstrekt aan de raad van bestuur binnen een Nederlandse entiteit die de norm overschrijdt van maximaal één jaarsalaris en een opzegtermijn van maximaal zes maanden.
5. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2021 kopen de concessiehouder, zijn raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
6. Voor zover deze betrekking heeft op bedrijfsactiviteiten waarvoor de beschikbaarheidsvergoeding wordt toegekend, is geen vergoeding ontvangen uit het steun- en herstelpakket voor banen en economie, dan wel wordt de ontvangen vergoeding terugbetaald aan het Rijk.
7. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2021.
8. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2020 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
9. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
10. De ontvanger en de concessiehouder verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.