BWBR0045164
Geldig vanaf 2021-05-27
Artikel 5
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2021
1. Een aanvraag van een specifieke uitkering wordt elektronisch, per concessie en uiterlijk op 1 november 2021 ingediend.
2. In de aanvraag wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en Min ieder geval vermeld:
a. de periode waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. de geschatte reizigersinkomsten en andere opbrengsten van de concessiehouder in de uitvoering van het openbaar vervoer in de subsidiabele periode, bedoeld in bijlage 3;
c. de daadwerkelijke kosten van de concessiehouder voor de uitvoering van het regionaal openbaar vervoer in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, of indien een concessie in werking is getreden na 1 januari 2019, de kosten van de meest actuele begroting van de concessie die niet is beïnvloed door COVID-19 of het bestaan van de beschikbaarheidsvergoeding, op prijspeil 2021;
d. de geschatte specifieke kosten van de concessiehouder in de subsidiabele periode ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, bedoeld in bijlage 2;
e. of een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt aangevraagd.
3. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van de ontvanger dat de concessiehouder een aanvraag heeft ingediend voor de beschikbaarheidsvergoeding en een kopie van de door die concessiehouder ingediende aanvraag dan wel ingeval een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener aanvrager en ontvanger is, een kopie van die aanvraag aangevuld met een door de concessiehouder ondertekende opgave van de kosten, bedoeld in bijlage 2; en
b. een verklaring van de ontvanger dat hij aan de subsidie of aan te passen concessie ten minste de voorwaarden zal verbinden, bedoeld in artikel 6, derde lid.
2. In de aanvraag wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en Min ieder geval vermeld:
a. de periode waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. de geschatte reizigersinkomsten en andere opbrengsten van de concessiehouder in de uitvoering van het openbaar vervoer in de subsidiabele periode, bedoeld in bijlage 3;
c. de daadwerkelijke kosten van de concessiehouder voor de uitvoering van het regionaal openbaar vervoer in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, of indien een concessie in werking is getreden na 1 januari 2019, de kosten van de meest actuele begroting van de concessie die niet is beïnvloed door COVID-19 of het bestaan van de beschikbaarheidsvergoeding, op prijspeil 2021;
d. de geschatte specifieke kosten van de concessiehouder in de subsidiabele periode ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, bedoeld in bijlage 2;
e. of een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt aangevraagd.
3. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van de ontvanger dat de concessiehouder een aanvraag heeft ingediend voor de beschikbaarheidsvergoeding en een kopie van de door die concessiehouder ingediende aanvraag dan wel ingeval een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener aanvrager en ontvanger is, een kopie van die aanvraag aangevuld met een door de concessiehouder ondertekende opgave van de kosten, bedoeld in bijlage 2; en
b. een verklaring van de ontvanger dat hij aan de subsidie of aan te passen concessie ten minste de voorwaarden zal verbinden, bedoeld in artikel 6, derde lid.