De buitengewoon opsporingsambtenaar kan de in
artikel 7, eerste, derde en vierde lid (vervoersfouillering), van de Politiewet 2012 omschreven bevoegdheden uitoefenen met gebruikmaking van het vrijheidsbeperkend middel handboeien en het geweldsmiddel korte wapenstok.
De gebruikmaking van het geweldsmiddel korte wapenstok wordt toegekend, onder de randvoorwaarden zoals gesteld op basis van
artikel 29 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar in de adviezen van de toezichthouders. Hiertoe vindt op basis van
artikel 40 en
41 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regulier overleg plaats.