BWBR0045054
Geldig vanaf 2021-07-03
Artikel 3
Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps
1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijst een agentschap als bedoeld in de Erasmusverordening aan, dat belast is met het beheer van de uitvoering van het deel van het Erasmus-programma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst één of twee nationale agentschappen als bedoeld in de Erasmusverordening aan, die belast zijn met het beheer van de uitvoering van het deel van het Erasmus-programma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede het nationaal agentschap, bedoeld in de Verordening Europees Solidariteitskorps.
3. De nationale agentschappen worden aangewezen voor de duur van een programmaperiode.
4. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de goede uitvoering van de Erasmusverordening of de Verordening Europees Solidariteitskorps.
5. Indien het aangewezen nationaal agentschap niet langer voldoet aan de in de verordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, neergelegde eisen, of aan de op grond van het vierde lid gestelde voorschriften, kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap respectievelijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de aanwijzing intrekken en een ander nationaal agentschap aanwijzen voor de resterende duur van de programmaperiode.
6. Op de nationale agentschappen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de artikelen 18, 19, derde lid, 21, 22, 23, 38en 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganenniet van toepassing.
2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst één of twee nationale agentschappen als bedoeld in de Erasmusverordening aan, die belast zijn met het beheer van de uitvoering van het deel van het Erasmus-programma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede het nationaal agentschap, bedoeld in de Verordening Europees Solidariteitskorps.
3. De nationale agentschappen worden aangewezen voor de duur van een programmaperiode.
4. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de goede uitvoering van de Erasmusverordening of de Verordening Europees Solidariteitskorps.
5. Indien het aangewezen nationaal agentschap niet langer voldoet aan de in de verordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, neergelegde eisen, of aan de op grond van het vierde lid gestelde voorschriften, kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap respectievelijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de aanwijzing intrekken en een ander nationaal agentschap aanwijzen voor de resterende duur van de programmaperiode.
6. Op de nationale agentschappen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de artikelen 18, 19, derde lid, 21, 22, 23, 38en 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganenniet van toepassing.