BWBR0044860
Geldig vanaf 2021-07-01
Artikel 7
Wet Mobiliteitsfonds
1. Onverminderd <a href="/wet/BWBR0008290" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet</a>is op subsidies die verstrekt worden ten laste van het fonds, de <a href="/wet/BWBR0032789" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Kaderwet subsidies I en M</a>van toepassing.
2. Het eerste lid geldt niet voor subsidies aan zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</a>, voor de uitvoering van hun wettelijke taken.
3. Subsidies die worden verleend ten laste van een begroting van het fonds die nog niet is vastgesteld, worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
4. Een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling op basis waarvan subsidies kunnen worden verstrekt waarop het eerste lid van toepassing is, wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van de subsidieregeling schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, indien het jaarlijkse subsidieplafond meer dan 10 miljoen euro bedraagt.
5. Indien binnen de in het vierde lid genoemde termijn van 30 dagen ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadere inlichtingen vraagt, wordt de subsidieregeling, bedoeld in het vierde lid, niet eerder vastgesteld dan 14 dagen nadat de inlichtingen zijn verstrekt.
2. Het eerste lid geldt niet voor subsidies aan zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020495/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</a>, voor de uitvoering van hun wettelijke taken.
3. Subsidies die worden verleend ten laste van een begroting van het fonds die nog niet is vastgesteld, worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
4. Een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling op basis waarvan subsidies kunnen worden verstrekt waarop het eerste lid van toepassing is, wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van de subsidieregeling schriftelijk ter kennis is gebracht van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, indien het jaarlijkse subsidieplafond meer dan 10 miljoen euro bedraagt.
5. Indien binnen de in het vierde lid genoemde termijn van 30 dagen ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadere inlichtingen vraagt, wordt de subsidieregeling, bedoeld in het vierde lid, niet eerder vastgesteld dan 14 dagen nadat de inlichtingen zijn verstrekt.