BWBR0044511
Geldig vanaf 2020-12-17
Artikel 5
Regeling mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021
1. Mandaat, volmacht en machtiging hebben geen betrekking op:
a. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling met betrekking waartoe een wettelijk voorschrift zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet;
b. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet;
c. het afdoen van stukken bestemd voor: 1°. de Koning of het Kabinet van de Koning;
2°. de raad van ministers, de raad van ministers van het Koninkrijk, of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de Voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit één van die kamers gevormde commissie;
4°. een minister of een staatssecretaris;
5°. de Raad van State of de Raad van State van het Koninkrijk;
6°. het Presidium van de Algemene Rekenkamer;
7°. de Nationale ombudsman;
8°. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges;
9°. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
1°. de Koning of het Kabinet van de Koning;
2°. de raad van ministers, de raad van ministers van het Koninkrijk, of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de Voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit één van die kamers gevormde commissie;
4°. een minister of een staatssecretaris;
5°. de Raad van State of de Raad van State van het Koninkrijk;
6°. het Presidium van de Algemene Rekenkamer;
7°. de Nationale ombudsman;
8°. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges;
9°. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
2. Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet zijn in ieder geval:
a. beslissingen omtrent politieke beleidswijzigingen en omtrent de uitbreiding of beperking van de bemoeienissen van een bewindspersoon;
b. het vaststellen van ministeriële regelingen;
c. delegatie van bevoegdheden;
d. de beslissing op het bezwaar tegen een besluit dat door of namens een bewindspersoon door de secretaris-generaal is genomen.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kunnen stukken van louter informatieve aard of van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang, stukken die worden gewisseld in het kader van juridische procedures, dan wel in het kader van onderzoeken van de Nationale ombudsman, worden afgedaan door de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan in bijzondere gevallen aan de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal mandaat, volmacht of machtiging worden verleend voor bepaalde aangelegenheden.
a. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling met betrekking waartoe een wettelijk voorschrift zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet;
b. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet;
c. het afdoen van stukken bestemd voor: 1°. de Koning of het Kabinet van de Koning;
2°. de raad van ministers, de raad van ministers van het Koninkrijk, of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de Voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit één van die kamers gevormde commissie;
4°. een minister of een staatssecretaris;
5°. de Raad van State of de Raad van State van het Koninkrijk;
6°. het Presidium van de Algemene Rekenkamer;
7°. de Nationale ombudsman;
8°. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges;
9°. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
1°. de Koning of het Kabinet van de Koning;
2°. de raad van ministers, de raad van ministers van het Koninkrijk, of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de Voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit één van die kamers gevormde commissie;
4°. een minister of een staatssecretaris;
5°. de Raad van State of de Raad van State van het Koninkrijk;
6°. het Presidium van de Algemene Rekenkamer;
7°. de Nationale ombudsman;
8°. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges;
9°. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
2. Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet zijn in ieder geval:
a. beslissingen omtrent politieke beleidswijzigingen en omtrent de uitbreiding of beperking van de bemoeienissen van een bewindspersoon;
b. het vaststellen van ministeriële regelingen;
c. delegatie van bevoegdheden;
d. de beslissing op het bezwaar tegen een besluit dat door of namens een bewindspersoon door de secretaris-generaal is genomen.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kunnen stukken van louter informatieve aard of van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang, stukken die worden gewisseld in het kader van juridische procedures, dan wel in het kader van onderzoeken van de Nationale ombudsman, worden afgedaan door de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan in bijzondere gevallen aan de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal mandaat, volmacht of machtiging worden verleend voor bepaalde aangelegenheden.