BWBR0044044
Geldig vanaf 2022-08-25
Artikel 10
Regeling voorzieningenplanning po 2021
1. Indien sprake is van verzelfstandiging als bedoeld in artikel 84a, eerste lid, van de wet:
a. zijn van artikel 3 het eerste lid en het tweede lid met uitzondering van onderdeel h van overeenkomstige toepassing;
b. is artikel 4, eerste lid, met uitzondering van onderdeel l, van overeenkomstige toepassing;
c. is de aanvraag voorzien van een prognose, bedoeld in het derde en vierde lid; en
d. zijn de melding en de aanvraag voorzien van de instellingscode van de te verzelfstandigen vestiging.
2. Het aantal leerlingen op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is van het overblijvende deel van de school minimaal de opheffingsnorm en van de te verzelfstandigen vestiging minimaal de stichtingsnorm.
3. Het verwachte aantal leerlingen, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b en c, van de wet, van het overblijvende deel van de school wordt berekend door het optellen van het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied, waaruit het overblijvende deel van de school op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn leerlingen betrekt. Het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied wordt berekend overeenkomstig de formule e = (f / g) * h, waarbij:
e = het verwachte aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school per betreffende viercijferig postcodegebied;
f = het aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school op 1 oktober voorafgaande aan het jaar van de aanvraag woonachtig in het betreffende viercijferig postcodegebied;
g = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari van het jaar van aanvraag;
h = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari in elk van de 10 jaren na het moment van de verzelfstandiging.
4. Het verwachte aantal leerlingen, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b en onderdeel c, van de wet, van de school die na verzelfstandiging ontstaat, wordt berekend door het optellen van het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied waaruit de te verzelfstandigen vestiging op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn leerlingen betrekt. Het verwachte aantal leerlingen wordt per viercijferig postcodegebied wordt berekend overeenkomstig de formule i = (j / k) * l, waarbij:
i = het verwachte aantal leerlingen van de te verzelfstandigen vestiging per betreffende viercijferig postcodegebied;
j = het aantal leerlingen van de te verzelfstandigen vestiging op 1 oktober voorafgaande aan het jaar van de aanvraag woonachtig in het betreffende viercijferige postcodegebied;
k = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari van het jaar van aanvraag;
l = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari in het elfde jaar na de aanvraag.
5. De aantallen in het derde lid, letters g en h en het vierde lid, letters k en l stelt DUO vanaf 1 juli in het jaar van de aanvraag beschikbaar aan de aanvrager.
a. zijn van artikel 3 het eerste lid en het tweede lid met uitzondering van onderdeel h van overeenkomstige toepassing;
b. is artikel 4, eerste lid, met uitzondering van onderdeel l, van overeenkomstige toepassing;
c. is de aanvraag voorzien van een prognose, bedoeld in het derde en vierde lid; en
d. zijn de melding en de aanvraag voorzien van de instellingscode van de te verzelfstandigen vestiging.
2. Het aantal leerlingen op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is van het overblijvende deel van de school minimaal de opheffingsnorm en van de te verzelfstandigen vestiging minimaal de stichtingsnorm.
3. Het verwachte aantal leerlingen, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b en c, van de wet, van het overblijvende deel van de school wordt berekend door het optellen van het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied, waaruit het overblijvende deel van de school op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn leerlingen betrekt. Het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied wordt berekend overeenkomstig de formule e = (f / g) * h, waarbij:
e = het verwachte aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school per betreffende viercijferig postcodegebied;
f = het aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school op 1 oktober voorafgaande aan het jaar van de aanvraag woonachtig in het betreffende viercijferig postcodegebied;
g = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari van het jaar van aanvraag;
h = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari in elk van de 10 jaren na het moment van de verzelfstandiging.
4. Het verwachte aantal leerlingen, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b en onderdeel c, van de wet, van de school die na verzelfstandiging ontstaat, wordt berekend door het optellen van het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied waaruit de te verzelfstandigen vestiging op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn leerlingen betrekt. Het verwachte aantal leerlingen wordt per viercijferig postcodegebied wordt berekend overeenkomstig de formule i = (j / k) * l, waarbij:
i = het verwachte aantal leerlingen van de te verzelfstandigen vestiging per betreffende viercijferig postcodegebied;
j = het aantal leerlingen van de te verzelfstandigen vestiging op 1 oktober voorafgaande aan het jaar van de aanvraag woonachtig in het betreffende viercijferige postcodegebied;
k = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari van het jaar van aanvraag;
l = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari in het elfde jaar na de aanvraag.
5. De aantallen in het derde lid, letters g en h en het vierde lid, letters k en l stelt DUO vanaf 1 juli in het jaar van de aanvraag beschikbaar aan de aanvrager.