BWBR0044038
Geldig vanaf 2020-09-02
Artikel 4
Beleidsregel tegemoetkoming kust- en binnenvisserij COVID-19
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze beleidsregel gestelde eisen;
b. de gedupeerde onderneming in staat van faillissement verkeert dan wel bij de rechtbank een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de onderneming is ingediend;
c. er ten aanzien van de gedupeerde onderneming al een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verstrekt;
d. de tegemoetkoming niet verstrekt kan worden op grond van de de-minimisverordening.
2. In aanvulling op het eerste lid beslist de minister afwijzend op een aanvraag van een onderneming die actief is in de kleinschalige visserij in de kustwateren, visserijzone en het zeegebied als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdelen b en c, van de Visserijwet 1963, waarvoor op grond van artikel 104a van de Uitvoeringsregeling zeevisserijeen verplichting tot vangstregistratie geldt, indien in de jaren 2018 en 2019 geen registratie van vangsten heeft plaatsgevonden.
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze beleidsregel gestelde eisen;
b. de gedupeerde onderneming in staat van faillissement verkeert dan wel bij de rechtbank een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de onderneming is ingediend;
c. er ten aanzien van de gedupeerde onderneming al een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verstrekt;
d. de tegemoetkoming niet verstrekt kan worden op grond van de de-minimisverordening.
2. In aanvulling op het eerste lid beslist de minister afwijzend op een aanvraag van een onderneming die actief is in de kleinschalige visserij in de kustwateren, visserijzone en het zeegebied als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdelen b en c, van de Visserijwet 1963, waarvoor op grond van artikel 104a van de Uitvoeringsregeling zeevisserijeen verplichting tot vangstregistratie geldt, indien in de jaren 2018 en 2019 geen registratie van vangsten heeft plaatsgevonden.