BWBR0043452
Geldig vanaf 2020-05-05
Artikel 6
Beleidsregel experiment teambevoegdheid voor 10-14-onderwijs
1. Het experiment loopt van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2024.
2. Scholen die deelnemen aan het experiment dienen vanaf de start van het eerstvolgende schooljaar na beëindiging van het experiment weer aan de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 2te voldoen.
3. De Minister kan een besluit tot toekenning van deelname van het experiment intrekken:
a. op een met redenen omkleed verzoek van het bevoegd gezag van een deelnemende school;
b. indien een van de samenwerkende scholen niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2;
c. indien een van de samenwerkende scholen een eindoordeel lager dan voldoende heeft ontvangen van de Inspectie van het Onderwijs;
d. indien de samenwerkende bevoegde gezagsorganen het betreffende projectplan niet of niet meer naleven;
e. indien de samenwerkende bevoegde gezagsorganen niet voldoen aan de informatieplicht als beschreven in artikel 7;
f. indien het experiment niet tot de daarmee beoogde doeleinden blijkt te leiden; of,
g. indien de Minister van oordeel is dat voortzetting van het experiment niet in het belang van de leerlingen zou zijn.
2. Scholen die deelnemen aan het experiment dienen vanaf de start van het eerstvolgende schooljaar na beëindiging van het experiment weer aan de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 2te voldoen.
3. De Minister kan een besluit tot toekenning van deelname van het experiment intrekken:
a. op een met redenen omkleed verzoek van het bevoegd gezag van een deelnemende school;
b. indien een van de samenwerkende scholen niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2;
c. indien een van de samenwerkende scholen een eindoordeel lager dan voldoende heeft ontvangen van de Inspectie van het Onderwijs;
d. indien de samenwerkende bevoegde gezagsorganen het betreffende projectplan niet of niet meer naleven;
e. indien de samenwerkende bevoegde gezagsorganen niet voldoen aan de informatieplicht als beschreven in artikel 7;
f. indien het experiment niet tot de daarmee beoogde doeleinden blijkt te leiden; of,
g. indien de Minister van oordeel is dat voortzetting van het experiment niet in het belang van de leerlingen zou zijn.