BWBR0043393
Geldig vanaf 2020-05-01
Artikel 5
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
1. Treinstellen bestemd voor het vervoer van personen zijn voorzien van een antiblokkeerinstallatie en van:
a. adhesie-onafhankelijke remmen; of
b. adhesieverbeterende maatregelen,
die remwegverlenging bij slechte adhesie voor alle snelheden tot vrijwel stilstand maximaal beperken.
2. Aan het eerste lid kan in ieder geval worden voldaan door:
a. bij treinstellen bestaande uit één of twee delen, tenminste twee draaistellen elk te voorzien van één paar magneetremmen; of
b. bij treinstellen bestaande uit drie of meer delen, per twee delen tenminste één draaistel te voorzien van één paar magneetremmen.
3. In geval van een noodremming bij treinstellen met magneetremmen,
a. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem gedeactiveerd moet worden, zo laag mogelijk en in ieder geval lager dan 10 km/u; en
b. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem vrijgegeven moet worden voor activering zo dicht mogelijk bij de treinsnelheid, bedoeld onder a, en in ieder geval maximaal 3 km/u hoger dan de treinsnelheid, bedoeld onder a.
4. In geval spoorvoertuigen zijn uitgerust met een magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen of als parkeer- of halterem.
a. adhesie-onafhankelijke remmen; of
b. adhesieverbeterende maatregelen,
die remwegverlenging bij slechte adhesie voor alle snelheden tot vrijwel stilstand maximaal beperken.
2. Aan het eerste lid kan in ieder geval worden voldaan door:
a. bij treinstellen bestaande uit één of twee delen, tenminste twee draaistellen elk te voorzien van één paar magneetremmen; of
b. bij treinstellen bestaande uit drie of meer delen, per twee delen tenminste één draaistel te voorzien van één paar magneetremmen.
3. In geval van een noodremming bij treinstellen met magneetremmen,
a. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem gedeactiveerd moet worden, zo laag mogelijk en in ieder geval lager dan 10 km/u; en
b. ligt de treinsnelheid waarbij de magneetrem vrijgegeven moet worden voor activering zo dicht mogelijk bij de treinsnelheid, bedoeld onder a, en in ieder geval maximaal 3 km/u hoger dan de treinsnelheid, bedoeld onder a.
4. In geval spoorvoertuigen zijn uitgerust met een magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen of als parkeer- of halterem.