BWBR0042974
Geldig vanaf 2021-11-24
Artikel 3
Subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg
1. De minister kan ten behoeve van het jaar 2022, 2023, 2024, 2025, 2026, 2027, 2028 en 2029 aan een organisatie een subsidie verstrekken voor activiteiten voor het borgen van de continuïteit van cruciale jeugdzorg, indien:
a. sprake is van een aantoonbaar liquiditeitsprobleem; en
b. de subsidie binnen een in het besluit tot subsidieverlening te bepalen termijn, maar uiterlijk binnen twee jaar na het besluit tot subsidieverlening wordt terugbetaald, op basis van de liquiditeitsprognose, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder f, en het continuïteitsplan, bedoeld in artikel 6, vierde lid, door de desbetreffende organisatie of door een andere rechtspersoon.
2. Onder cruciale jeugdzorg als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. jeugdhulp waarvoor door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een landelijk raamcontract is afgesloten;
b. de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering;
c. gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
d. zorg voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet in orthopedagogische behandelcentra;
e. verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, onder j, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
f. pleegzorg als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Jeugdwet;
g. verslavingszorg voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
h. forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg, voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
3. Van een aantoonbaar liquiditeitsprobleem is sprake indien de organisatie binnen 6 maanden na de datum van ontvangst van haar complete aanvraag zonder subsidie niet over voldoende liquide middelen beschikt om aan haar betaalverplichtingen te voldoen.
4. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden aangewezen als diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
5. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien:
a. getracht is het liquiditeitsprobleem op te lossen in samenwerking met de betrokken gemeenten en vervolgens met bemiddeling van de Jeugdautoriteit en het liquiditeitsprobleem desondanks niet is verholpen;
b. de organisatie voldoende aannemelijk maakt dat en hoe zij met de subsidie op grond van deze regeling in staat is de continuïteit van de cruciale jeugdzorg te borgen, op basis van het continuïteitsplan, bedoeld in artikel 6, vierde lid; en
c. de organisatie met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in het vierde lid.
a. sprake is van een aantoonbaar liquiditeitsprobleem; en
b. de subsidie binnen een in het besluit tot subsidieverlening te bepalen termijn, maar uiterlijk binnen twee jaar na het besluit tot subsidieverlening wordt terugbetaald, op basis van de liquiditeitsprognose, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder f, en het continuïteitsplan, bedoeld in artikel 6, vierde lid, door de desbetreffende organisatie of door een andere rechtspersoon.
2. Onder cruciale jeugdzorg als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. jeugdhulp waarvoor door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een landelijk raamcontract is afgesloten;
b. de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering;
c. gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
d. zorg voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet in orthopedagogische behandelcentra;
e. verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, onder j, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
f. pleegzorg als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Jeugdwet;
g. verslavingszorg voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
h. forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg, voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
3. Van een aantoonbaar liquiditeitsprobleem is sprake indien de organisatie binnen 6 maanden na de datum van ontvangst van haar complete aanvraag zonder subsidie niet over voldoende liquide middelen beschikt om aan haar betaalverplichtingen te voldoen.
4. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden aangewezen als diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
5. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien:
a. getracht is het liquiditeitsprobleem op te lossen in samenwerking met de betrokken gemeenten en vervolgens met bemiddeling van de Jeugdautoriteit en het liquiditeitsprobleem desondanks niet is verholpen;
b. de organisatie voldoende aannemelijk maakt dat en hoe zij met de subsidie op grond van deze regeling in staat is de continuïteit van de cruciale jeugdzorg te borgen, op basis van het continuïteitsplan, bedoeld in artikel 6, vierde lid; en
c. de organisatie met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat haar belast met en zij zich verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in het vierde lid.