BWBR0042467
Geldig vanaf 2019-08-01
Artikel 8
Besluit waardering verzekeringsvorderingen in faillissement
1. De waarde van een vordering uit hoofde van een verzekering waarbij de verzekeraar zich heeft verbonden tot het verrichten van uitkeringen waarbij het tijdstip of hoogte onzeker is, de hoogte van de uitkering gebaseerd is op de tegenwaarde in beleggingseenheden en een uitkeringsgarantie is toegezegd, wordt berekend overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid.
2. De tegenwaarde van de beleggingseenheden op het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 9.
3. Met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wordt het bedrag berekend waartoe de tegenwaarde van de beleggingseenheden op het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, zou zijn vermeerderd op de tijdstippen waarop de verzekeraar op grond van die verzekering tot uitkering had moeten overgaan alsmede op elk van de tijdstippen waarop volgens de verzekering de tegenwaarde van de beleggingseenheden wordt vergeleken met de minimumgarantiewaarde.
4. De minimumgarantiewaarden worden vastgesteld overeenkomstig onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b:
a. indien de wederpartij van de verzekeraar op het tijdstip van faillietverklaring aan al haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, wordt op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, laatste zinsnede, de tegenwaarde van de beleggingseenheden vergeleken met de hoogtes van de minimumgarantiewaarden;
b. indien de wederpartij van de verzekeraar zich heeft verbonden tot het betalen van premie in termijnen, zij op het tijdstip van faillietverklaring de laatste termijn nog niet heeft voldaan, en de curator met toepassing van artikel 213ka van de Faillissementswet heeft verklaard dat de overeenkomst niet wordt nagekomen, wordt op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, laatste zinsnede, de tegenwaarde van de beleggingseenheden vergeleken met de hoogtes van de tot dat tijdstip vermeerderde waarden op basis van de premies en het rendement dat tot de minimumgarantiewaarden leidt.
5. De waarde van de vordering wordt bepaald overeenkomstig artikel 6, vierde en zesde lid, met dien verstande dat de bedragen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, voor de uitkeringen bij leven, de uitkomsten zijn van de vergelijking op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, tussen de tegenwaarde van de beleggingseenheden en de minimumgarantiewaarde, waarbij telkens de hoogste van deze twee waarden wordt genomen.
2. De tegenwaarde van de beleggingseenheden op het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 9.
3. Met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wordt het bedrag berekend waartoe de tegenwaarde van de beleggingseenheden op het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, zou zijn vermeerderd op de tijdstippen waarop de verzekeraar op grond van die verzekering tot uitkering had moeten overgaan alsmede op elk van de tijdstippen waarop volgens de verzekering de tegenwaarde van de beleggingseenheden wordt vergeleken met de minimumgarantiewaarde.
4. De minimumgarantiewaarden worden vastgesteld overeenkomstig onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b:
a. indien de wederpartij van de verzekeraar op het tijdstip van faillietverklaring aan al haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, wordt op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, laatste zinsnede, de tegenwaarde van de beleggingseenheden vergeleken met de hoogtes van de minimumgarantiewaarden;
b. indien de wederpartij van de verzekeraar zich heeft verbonden tot het betalen van premie in termijnen, zij op het tijdstip van faillietverklaring de laatste termijn nog niet heeft voldaan, en de curator met toepassing van artikel 213ka van de Faillissementswet heeft verklaard dat de overeenkomst niet wordt nagekomen, wordt op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, laatste zinsnede, de tegenwaarde van de beleggingseenheden vergeleken met de hoogtes van de tot dat tijdstip vermeerderde waarden op basis van de premies en het rendement dat tot de minimumgarantiewaarden leidt.
5. De waarde van de vordering wordt bepaald overeenkomstig artikel 6, vierde en zesde lid, met dien verstande dat de bedragen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, voor de uitkeringen bij leven, de uitkomsten zijn van de vergelijking op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, tussen de tegenwaarde van de beleggingseenheden en de minimumgarantiewaarde, waarbij telkens de hoogste van deze twee waarden wordt genomen.