BWBR0042461
Geldig vanaf 2019-07-29
Artikel 1
Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019
In deze regeling wordt verstaan onder:
aspirant-opleidingsschool: partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden, waarvoor: a. niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;
b. gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;
c. op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b;
d. in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd; of
e. subsidie wordt verstrekt gedurende ten hoogste twee schooljaren nadat de Minister op grond van artikel 18a heeft geoordeeld dat de basiskwaliteit onvoldoende was;
a. niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;
b. gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;
c. op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b;
d. in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd; of
e. subsidie wordt verstrekt gedurende ten hoogste twee schooljaren nadat de Minister op grond van artikel 18a heeft geoordeeld dat de basiskwaliteit onvoldoende was;
beoordelingsgerichte peer review: peer review uitgevoerd door de commissie beoordelingsgerichte peer review die gericht is op de beoordeling van de basiskwaliteit van de aspirant-opleidingsschool aan de hand van de criteria opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1.1.1, onderdelen a en b, van de begripsbepaling van bevoegd gezag van de Wet educatie en beroepsonderwijs of het instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onder y, van de WHW;
bve: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
commissie beoordelingsgerichte peer review: commissie beoordelingsgerichte peer review als bedoeld in artikel 20a;
DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;
DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder b en d van de WHW;
lerarenopleiding: op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding tot leraar po, leraar vo, of leraar bve;
Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie als bedoeld in artikel 5.2 van de WHW;
ontwikkelingsgerichte peer review: peer review georganiseerd door een opleidingsschool die is gericht op kwaliteitsontwikkeling en kwaliteitsborging met gebruikmaking van het Kwaliteitskader Samen Opleiden en Inductie dat op de website van DUS-I is gepubliceerd;
opleidingsschool: partnerschap, niet zijnde een aspirant-opleidingsschool, tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden;
po: primair onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra;
school: uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dan wel instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
schooljaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend;
student: a. degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
b. degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;
c. degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
d. degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs of het primair onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;
e. degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
f. degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;
g. degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of
h. degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f;
a. degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
b. degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;
c. degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
d. degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs of het primair onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;
e. degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
f. degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;
g. degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of
h. degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f;
studiepunt: studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid, van de WHW;
vo: voortgezet onderwijs, zoals bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
WHW:Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
aspirant-opleidingsschool: partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden, waarvoor: a. niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;
b. gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;
c. op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b;
d. in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd; of
e. subsidie wordt verstrekt gedurende ten hoogste twee schooljaren nadat de Minister op grond van artikel 18a heeft geoordeeld dat de basiskwaliteit onvoldoende was;
a. niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;
b. gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;
c. op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b;
d. in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd; of
e. subsidie wordt verstrekt gedurende ten hoogste twee schooljaren nadat de Minister op grond van artikel 18a heeft geoordeeld dat de basiskwaliteit onvoldoende was;
beoordelingsgerichte peer review: peer review uitgevoerd door de commissie beoordelingsgerichte peer review die gericht is op de beoordeling van de basiskwaliteit van de aspirant-opleidingsschool aan de hand van de criteria opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1.1.1, onderdelen a en b, van de begripsbepaling van bevoegd gezag van de Wet educatie en beroepsonderwijs of het instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onder y, van de WHW;
bve: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
commissie beoordelingsgerichte peer review: commissie beoordelingsgerichte peer review als bedoeld in artikel 20a;
DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;
DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder b en d van de WHW;
lerarenopleiding: op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding tot leraar po, leraar vo, of leraar bve;
Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie als bedoeld in artikel 5.2 van de WHW;
ontwikkelingsgerichte peer review: peer review georganiseerd door een opleidingsschool die is gericht op kwaliteitsontwikkeling en kwaliteitsborging met gebruikmaking van het Kwaliteitskader Samen Opleiden en Inductie dat op de website van DUS-I is gepubliceerd;
opleidingsschool: partnerschap, niet zijnde een aspirant-opleidingsschool, tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden;
po: primair onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra;
school: uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dan wel instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
schooljaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend;
student: a. degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
b. degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;
c. degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
d. degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs of het primair onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;
e. degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
f. degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;
g. degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of
h. degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f;
a. degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
b. degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;
c. degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
d. degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs of het primair onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;
e. degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;
f. degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;
g. degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 7.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of
h. degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f;
studiepunt: studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid, van de WHW;
vo: voortgezet onderwijs, zoals bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
WHW:Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.