BWBR0042190
Geldig vanaf 01-05-2019
Artikel 15
Deelreglement Realisering van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film
Voor een aanvraag voor subsidie voor een internationale minoritaire coproductie gelden de volgende voorwaarden:
1. Uitsluitend minoritaire coproducties die geen andere bijdrage in de realisering van het Fonds op grond van het Deelreglement Realisering hebben ontvangen komen in aanmerking voor een bijdrage.
2. Minoritaire coproducties met een vertoningsduur van tenminste 60 minuten voor de categorieën speelfilm (waaronder lange animatiefilm) en documentaire en ten hoogste 60 minuten voor de categorie korte animatie en de categorie onderzoek & experiment komen in aanmerking, indien het aandeel in de filmproductie van de Nederlandse minoritaire coproducent, alsmede de aard van de betrokken Nederlandse inbreng en publieksbereik in Nederland evident zijn.
3. Er wordt prioriteit gegeven aan: a. minoritaire coproducties waarvan de buitenlandse majoritaire coproducent is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, of in een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland, of een staat waarmee de Nederlandse overheid een bilateraal verdrag aangaande filmproducties heeft afgesloten; en,
b. eigenzinnige, artistieke minoritaire coproducties met gerede kans op internationale festivalselectie en internationale distributie en met een substantiële creatieve en technische inbreng vanuit Nederland; en,
c. filmproducties die geregisseerd worden door regisseurs die met (een) eerdere filmproductie(s) zijn geselecteerd op een toonaangevend internationaal filmfestival en waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in meerdere landen is (zijn) uitgebracht; en,
d. minoritaire coproducties waarvan de wederkerigheid op basis van eerdere of toekomstige coproducties is aangetoond; en,
e. filmproducties van regisseurs waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in Nederland theatrical is (zijn) uitgebracht; en
f. filmproducties die naast de bioscoopuitbreng in het land van de hoofdproducent ook een gegarandeerde bioscoopuitbreng in Nederland krijgen.
a. minoritaire coproducties waarvan de buitenlandse majoritaire coproducent is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, of in een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland, of een staat waarmee de Nederlandse overheid een bilateraal verdrag aangaande filmproducties heeft afgesloten; en,
b. eigenzinnige, artistieke minoritaire coproducties met gerede kans op internationale festivalselectie en internationale distributie en met een substantiële creatieve en technische inbreng vanuit Nederland; en,
c. filmproducties die geregisseerd worden door regisseurs die met (een) eerdere filmproductie(s) zijn geselecteerd op een toonaangevend internationaal filmfestival en waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in meerdere landen is (zijn) uitgebracht; en,
d. minoritaire coproducties waarvan de wederkerigheid op basis van eerdere of toekomstige coproducties is aangetoond; en,
e. filmproducties van regisseurs waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in Nederland theatrical is (zijn) uitgebracht; en
f. filmproducties die naast de bioscoopuitbreng in het land van de hoofdproducent ook een gegarandeerde bioscoopuitbreng in Nederland krijgen.
4. Op het moment van indiening van de aanvraag bij het Fonds, dient minimaal 50% van de financiering uit het land van de buitenlandse majoritaire coproducent afkomstig en schriftelijk toegezegd te zijn.
5. De totale inbreng van Nederlandse fondsen en marktpartijen in de realisering van de filmproductie dient minimaal 10% te bedragen van de totale productiekosten.
6. Tenzij in bilaterale verdragen met het Fonds anders is overeengekomen of het bestuur zwaarwegende redenen ziet hiervan af te wijken, dient de aanvrager met inachtneming van artikel 14, de bijdrage(n) van het Fonds volledig in Nederland te besteden. Het deel van de productiekosten dat in Nederland wordt uitgegeven wordt in een aparte kolom aangegeven in de ingediende productiebegroting. Deze bestedingsverplichting staat los van eventuele verdere bestedingsverplichtingen op basis van andere regelingen van het Fonds of die door andere (Nederlandse) financiers worden opgelegd.
7. De aanvrager dient een verklaring of overeenkomst ondertekend door de buitenlandse majoritaire coproducent te overleggen waaruit blijkt hoe de coproductie vorm krijgt en wat de verdeling van taken en verantwoordelijkheden zal zijn.
8. De aanvrager dient te beschikken over de exclusieve verfilmings- en exploitatierechten voor bij voorkeur de Benelux en, indien de rechten voor België en Luxemburg reeds vergeven zijn, tenminste over deze rechten op het Nederlandse territorium.
9. De aanvrager deelt in verhouding tot de buitenlandse majoritaire coproducent pro rato mee in de wereldopbrengsten van de filmproductie.
10. De aanvrager verplicht zich in de af te sluiten coproductieovereenkomst met de buitenlandse majoritaire coproducent te bedingen dat eventuele financiële bijdragen in het kader van Eurimages en/of andere Europese financiering pro rato toegerekend worden aan de aanvrager.
11. De filmproductie dient een (non) theatrical release in Nederland te krijgen. Voor de categorieën speelfilm, lange animatiefilm en documentaire dient de aanvrager een schriftelijke verklaring ondertekend door een Nederlandse filmdistributeur en/of indien van toepassing van een Nederlandse zendgemachtigde te overleggen, alsmede een plan voor de uitbreng van de filmproductie in Nederland.
1. Uitsluitend minoritaire coproducties die geen andere bijdrage in de realisering van het Fonds op grond van het Deelreglement Realisering hebben ontvangen komen in aanmerking voor een bijdrage.
2. Minoritaire coproducties met een vertoningsduur van tenminste 60 minuten voor de categorieën speelfilm (waaronder lange animatiefilm) en documentaire en ten hoogste 60 minuten voor de categorie korte animatie en de categorie onderzoek & experiment komen in aanmerking, indien het aandeel in de filmproductie van de Nederlandse minoritaire coproducent, alsmede de aard van de betrokken Nederlandse inbreng en publieksbereik in Nederland evident zijn.
3. Er wordt prioriteit gegeven aan: a. minoritaire coproducties waarvan de buitenlandse majoritaire coproducent is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, of in een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland, of een staat waarmee de Nederlandse overheid een bilateraal verdrag aangaande filmproducties heeft afgesloten; en,
b. eigenzinnige, artistieke minoritaire coproducties met gerede kans op internationale festivalselectie en internationale distributie en met een substantiële creatieve en technische inbreng vanuit Nederland; en,
c. filmproducties die geregisseerd worden door regisseurs die met (een) eerdere filmproductie(s) zijn geselecteerd op een toonaangevend internationaal filmfestival en waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in meerdere landen is (zijn) uitgebracht; en,
d. minoritaire coproducties waarvan de wederkerigheid op basis van eerdere of toekomstige coproducties is aangetoond; en,
e. filmproducties van regisseurs waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in Nederland theatrical is (zijn) uitgebracht; en
f. filmproducties die naast de bioscoopuitbreng in het land van de hoofdproducent ook een gegarandeerde bioscoopuitbreng in Nederland krijgen.
a. minoritaire coproducties waarvan de buitenlandse majoritaire coproducent is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, of in een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland, of een staat waarmee de Nederlandse overheid een bilateraal verdrag aangaande filmproducties heeft afgesloten; en,
b. eigenzinnige, artistieke minoritaire coproducties met gerede kans op internationale festivalselectie en internationale distributie en met een substantiële creatieve en technische inbreng vanuit Nederland; en,
c. filmproducties die geregisseerd worden door regisseurs die met (een) eerdere filmproductie(s) zijn geselecteerd op een toonaangevend internationaal filmfestival en waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in meerdere landen is (zijn) uitgebracht; en,
d. minoritaire coproducties waarvan de wederkerigheid op basis van eerdere of toekomstige coproducties is aangetoond; en,
e. filmproducties van regisseurs waarvan (een) eerdere filmproductie(s) in Nederland theatrical is (zijn) uitgebracht; en
f. filmproducties die naast de bioscoopuitbreng in het land van de hoofdproducent ook een gegarandeerde bioscoopuitbreng in Nederland krijgen.
4. Op het moment van indiening van de aanvraag bij het Fonds, dient minimaal 50% van de financiering uit het land van de buitenlandse majoritaire coproducent afkomstig en schriftelijk toegezegd te zijn.
5. De totale inbreng van Nederlandse fondsen en marktpartijen in de realisering van de filmproductie dient minimaal 10% te bedragen van de totale productiekosten.
6. Tenzij in bilaterale verdragen met het Fonds anders is overeengekomen of het bestuur zwaarwegende redenen ziet hiervan af te wijken, dient de aanvrager met inachtneming van artikel 14, de bijdrage(n) van het Fonds volledig in Nederland te besteden. Het deel van de productiekosten dat in Nederland wordt uitgegeven wordt in een aparte kolom aangegeven in de ingediende productiebegroting. Deze bestedingsverplichting staat los van eventuele verdere bestedingsverplichtingen op basis van andere regelingen van het Fonds of die door andere (Nederlandse) financiers worden opgelegd.
7. De aanvrager dient een verklaring of overeenkomst ondertekend door de buitenlandse majoritaire coproducent te overleggen waaruit blijkt hoe de coproductie vorm krijgt en wat de verdeling van taken en verantwoordelijkheden zal zijn.
8. De aanvrager dient te beschikken over de exclusieve verfilmings- en exploitatierechten voor bij voorkeur de Benelux en, indien de rechten voor België en Luxemburg reeds vergeven zijn, tenminste over deze rechten op het Nederlandse territorium.
9. De aanvrager deelt in verhouding tot de buitenlandse majoritaire coproducent pro rato mee in de wereldopbrengsten van de filmproductie.
10. De aanvrager verplicht zich in de af te sluiten coproductieovereenkomst met de buitenlandse majoritaire coproducent te bedingen dat eventuele financiële bijdragen in het kader van Eurimages en/of andere Europese financiering pro rato toegerekend worden aan de aanvrager.
11. De filmproductie dient een (non) theatrical release in Nederland te krijgen. Voor de categorieën speelfilm, lange animatiefilm en documentaire dient de aanvrager een schriftelijke verklaring ondertekend door een Nederlandse filmdistributeur en/of indien van toepassing van een Nederlandse zendgemachtigde te overleggen, alsmede een plan voor de uitbreng van de filmproductie in Nederland.
- Citeren als
- Art. 15
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0042190
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl