BWBR0042096
Geldig vanaf 05-04-2019
Artikel 6
Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Kansspelautoriteit 2019
1. De raad verleent machtiging aan de voorzitter tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
2. De raad verleent machtiging aan de afdelingshoofden van de dienstonderdelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid tot:
a. het afdoen van brieven van feitelijke aard en voeren van correspondentie voor zover betrekking hebbend op het eigen dienstonderdeel, zoals het toezenden van stukken en informatieverstrekking;
b. het vaststellen van aanvraagformulieren als bedoeld in artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht;
c. het doen van een kennisgeving van verdaging als bedoeld in de artikelen 4:14 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het doen van een kennisgeving van verdaging en opschorting als bedoeld in artikel 6 van de Wet openbaarheid van bestuur;
e. het voldoen aan de doorzendplicht als bedoeld in de artikelen 2:3 en 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht;
f. het stellen van een termijn om een aanvraag aan te vullen met gegevens en bescheiden, dan wel met een vertaling;
g. afdoening van een klaagschrift op grond van artikel 9:12 van de Algemene wet bestuursrecht;
h. het aangaan van een overeenkomst met een verwerker over de uitvoering van een gegevensverwerking en het hierbij schriftelijk laten vastleggen van de vereiste technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen, op grond van artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming;
i. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens bij hem worden verkregen, op grond van artikel 13 Algemene verordening gegevensbescherming;
j. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens op een andere wijze dan bedoeld in artikel 13 van de Algemene verordening gegevensbescherming worden verkregen, op grond van artikel 14 van de Algemene verordening gegevensbescherming;
k. kennisgeving van rectificatie, wissing of beperking aan ontvanger persoonsgegevens, op grond van artikel 19 Algemene verordening gegevensbescherming;
l. mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene op grond van artikel 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming;
m. het buiten toepassing laten van de bepalingen opgenomen in artikel 41 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, voor zover het betreft de artikelen 13, 14 en 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming.
3. De afdelingshoofden kunnen met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 7, hun machtiging doorverlenen aan de onder hen ressorterende medewerkers.
4. De afdelingshoofden machtigen de overige medewerkers van de dienstonderdelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tot het afdoen van brieven van feitelijke aard en voeren van correspondentie voor zover betrekking hebbend op het eigen dienstonderdeel, zoals het toezenden van stukken en informatieverstrekking.
2. De raad verleent machtiging aan de afdelingshoofden van de dienstonderdelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid tot:
a. het afdoen van brieven van feitelijke aard en voeren van correspondentie voor zover betrekking hebbend op het eigen dienstonderdeel, zoals het toezenden van stukken en informatieverstrekking;
b. het vaststellen van aanvraagformulieren als bedoeld in artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht;
c. het doen van een kennisgeving van verdaging als bedoeld in de artikelen 4:14 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het doen van een kennisgeving van verdaging en opschorting als bedoeld in artikel 6 van de Wet openbaarheid van bestuur;
e. het voldoen aan de doorzendplicht als bedoeld in de artikelen 2:3 en 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht;
f. het stellen van een termijn om een aanvraag aan te vullen met gegevens en bescheiden, dan wel met een vertaling;
g. afdoening van een klaagschrift op grond van artikel 9:12 van de Algemene wet bestuursrecht;
h. het aangaan van een overeenkomst met een verwerker over de uitvoering van een gegevensverwerking en het hierbij schriftelijk laten vastleggen van de vereiste technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen, op grond van artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming;
i. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens bij hem worden verkregen, op grond van artikel 13 Algemene verordening gegevensbescherming;
j. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens op een andere wijze dan bedoeld in artikel 13 van de Algemene verordening gegevensbescherming worden verkregen, op grond van artikel 14 van de Algemene verordening gegevensbescherming;
k. kennisgeving van rectificatie, wissing of beperking aan ontvanger persoonsgegevens, op grond van artikel 19 Algemene verordening gegevensbescherming;
l. mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene op grond van artikel 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming;
m. het buiten toepassing laten van de bepalingen opgenomen in artikel 41 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, voor zover het betreft de artikelen 13, 14 en 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming.
3. De afdelingshoofden kunnen met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 7, hun machtiging doorverlenen aan de onder hen ressorterende medewerkers.
4. De afdelingshoofden machtigen de overige medewerkers van de dienstonderdelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tot het afdoen van brieven van feitelijke aard en voeren van correspondentie voor zover betrekking hebbend op het eigen dienstonderdeel, zoals het toezenden van stukken en informatieverstrekking.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0042096
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl